Er zijn momenten in de beoefening waarop de geest stil wordt, het lichaam verzacht en de adem lijkt zichzelf te ademen. Wat eerst onrustig en gefragmenteerd was, verzamelt zich in helderheid en rust. In die verstilling kan vreugde opkomen—licht, levendig, soms intens. Dit wordt herkend als pīti (id.), een eerste teken dat de geest zich losmaakt van grofheid. Wanneer deze vreugde verzacht, verdiept zich een stillere kwaliteit van welbevinden, sukha (id.), die de geest moeiteloos draagt. Wat zich verder verfijnt, kan uitmonden in een stille, open harmonie, upekkhā (upekṣā), waarin aantrekken en afstoten hun kracht verliezen. De geest is helder, onbeweeglijk in zijn openheid. Dit wordt vaak als voltooiing ervaren binnen de verdieping van samādhi (id.).

