Wanneer het pad zich verdiept, kan er een subtiele verschuiving plaatsvinden die nauwelijks opvalt. Wat eerst als grof verlangen (taṇhā; tṛṣṇā) herkenbaar was—gericht op bezit, ervaring of erkenning—neemt een verfijndere vorm aan: het verlangen naar inzicht, naar zuivering, naar bevrijding.

