Sedert ik toevlucht genomen heb, noem ik me nu al zo’n dertig jaar volmondig ‘boeddhist’; maar met de jaren ben ik aan dit woord beginnen twijfelen. Daarom stel ik me, als dit ter sprake komt, liever voor als ‘volgeling van de Dhamma’.
‘Evam me sutam’, aldus heb ik gehoord
In het vervolg van dit sutta gaat de Verhevene over tot een van de meest diepzinnige uiteenzettingen over de centrale leer van het boeddhisme, namelijk die over het ‘niet-zelf’ (anatta).
Uposatha
Als individu ben je nooit alleen; er moet altijd op de één of andere manier rekening gehouden worden met anderen. Doe je dit niet, hou je geen rekening met anderen, dan plaatst de Boeddha die persoon onder type twee: “zij die anderen kwetsen, kwaad doen”.
‘De gelijkenis van de giftige slangen’
In gedachten houdend dat suttas oorspronkelijk uit het hoofd geleerd en gereciteerd werden, is deze tekst een typisch voorbeeld van hoe de Dhamma, de Leer, beknopt en aan de hand van een aantal opeenvolgende vergelijkingen (upaya, ‘handige middelen’) gemakkelijker kon onthouden worden.
De Boeddha als mens
De historische Boeddha is al lang dood. En dat komt de latere volgelingen goed uit. Over een dode meester kan je fantaseren, je kunt hem belangrijk maken, beter, bovenaards. Je kunt projecteren, een droom om hem heen weven. Dan wordt hij meer mythe dan realiteit. En de Boeddha is er niet meer om te zeggen: “Nee, zo bedoelde ik het niet.”
‘Alle wezens zullen sterven, want het leven eindigt in de dood’
“Mijn oma, Heer, is gestorven. Ze was versleten, op jaren, ze had de eerbiedwaardige leeftijd van honderd en twintig jaar bereikt.”
Aandacht voor de (eigen) dood
Je beseft dat je de dingen niet tot morgen of volgende week of volgend jaar kunt uitstellen, want morgen kan voor jou misschien nooit komen.
“Welke zijn de vijf boeien van de geest die hij niet geslaakt heeft?”
“Als je slordig kan zijn, ben je dat niet; als je de gelegenheid hebt om je over te geven aan zintuiglijke prikkels, doe je dat niet; als je valt sta je terug op, opnieuw en opnieuw en opnieuw”.
André – Het boek van de bossen
In het laatste sutta treffen we een merkwaardig verhaal, een geval van verregaande scrupulositeit, aan. Daarin verwijt een godheid een monnik, die graag aan een lotusbloem ruikt, dat hij de geur van de bloem steelt en dus in zekere zin een dief is.
Om verlichting te bereiken moet je een penis hebben
‘De Boeddha heeft nooit ontkend dat vrouwen de verlichting konden bereiken. Hij sprak wel over ‘de tweeëndertig plekken in het menselijk lichaam’ waarop meditatie zich moet richten om de obsessie voor het menselijk lichaam los te laten.
Ik wil de grootste hebben…
De grootste hebben…In boeddhistische kringen is het niet anders (dat zijn ook maar mensen). Waar het in Europa meestal gaat om de grootste tempel, gaat het in Azië om het grootste Boeddhabeeld.
De timmerman en een monnik – dispuut over de dhamma
Er is één Dhamma (werkelijkheid, waarheid) maar deze kan op verschillende manieren verwoord worden.












