‘Eerst en vooral moeten we de schoonheid stellen, die ook het goede is; hier komt onmiddellijk de geest uit voort, die schoonheid is; en aan de ziel wordt schoonheid gegeven door de geest; al het andere is mooi omdat er vorm aan gegeven wordt door de ziel. En de ziel maakt de lichamen mooi waarvan we zeggen dat ze mooi zijn.’
Aldus Plotinus. Deze Griekse wijsgeer zal onze gids zijn om niet met de ogen van de eindigheid naar de werkelijkheid te kijken, maar met de ogen van de eeuwigheid. De blik die slechts het tijdelijke ziet is onder de indruk van het vergankelijke, het fragmentarische, de fysieke dood, de eenzaamheid, het mislukken, de zondigheid, de duistere kant van het bestaan. Maar de ogen van de eeuwigheid tonen ons het Ene, het Licht, en wel als het schone, het goede en het ware.
Hoe leren wij te kijken met de ogen van de eeuwigheid? Plotinus: ‘De ziel moet zich, teruggetrokken van alle uiterlijke dingen, volledig naar binnen omkeren.’ Want de ziel moet gelijk worden aan het Ene: ‘Geen oog heeft ooit de zon aanschouwd zonder zelf zongelijkend te zijn geworden, noch kan een ziel ooit schoonheid zien zonder mooi te worden.’
Spirituele scholen van alle tijden en wereldwijd zullen dit herkennen.
Ik wil het graag hebben over de schoonheid van het Boeddhabeeld, de schoonheid van de zenkunsten, de schoonheid van Tantra.
Wat is de schoonheid van de natuur ook in haar vormen van geweld: tsunami’s, aardbevingen, stormen en droogte? Hoe komt het dat verschrikkingen afgebeeld in de kunst soms zo ‘mooi’ kunnen zijn – zoals Goya’s schilderijencyclus ‘de rampen van de oorlog’ of de tragische prenten van Käthe Kollwitz of Miria Cahn’s ‘Weinen mussen’:
Hoe verstaan we het kwade?
Waarom kan muziek zo schrijnen? Luister bijvoorbeeld naar het ‘War Requiem’ van Benjamin Britten.
De vraag dient zich aan: wat is in dit perspectief ‘waarheid’?
Het schone, het goede en het ware vormen een drie-eenheid. Zij worden samengebonden door ons verlangen (Eros) naar eenheid, naar vereniging. Wij komen voort uit het Ene en levend in het vele, verlangen we terug te keren tot het Ene, om vandaar uit weer te verkeren in het vele. Enzovoort. Ziedaar onze spirituele levenscyclus.
Deze studieklas is de laatste. Daarom wil ik afsluiten met een beschouwing over ‘het lezen van mystieke teksten’ en wat deze ‘studie’ met ons kan doen.
Mijn grote dank voor al die jaren die de zendo mij gaf en voor alle aandacht waarmee de studieklassen gevolgd werden. Ik zal afsluiten met een afscheidswens en wel met de woorden waarmee de Brabantse mystica Hadewijch een brief aan één van haar correspondenten besluit:
Vaert wel ende levet scone!
Nico Tenko Roshi

