‘Morgen moet ik gadverdamme weer naar de tandarts.’
‘Je gaat me toch niet vertellen dat je daar bang voor bent, Hans?’
‘Nou en of.’
‘Dat is nergens voor nodig.’
‘Waarom niet?’
‘Morgen is enkel een gedachte.’
‘Dat morgen enkel een gedachte is ook.’
‘Morgen is toch niet nu?’
‘Nee, maar de angst voor morgen is wel nu.’
‘Angst heeft toch helemaal geen zin?’
‘Een blindedarm heeft ook helemaal geen zin.’
‘En?’
‘En toch heb ik hem.’
‘Een blindedarm?’
‘En angst voor de tandarts.’
‘Ik eerlijk gezegd ook.’
‘Wat?’
‘Angst voor de tandarts en een blindedarm.’
‘Nou dan.’
‘Ik wil het niet weten.’
‘Ben jij soms bang voor angst?’
‘Ik vrees van wel, Hans.’
‘Vind je het eng om dat toe te geven?’
‘Het is zo irrationeel.’
‘Ben je zeker ook bang voor.’
‘Stom hè?’
‘Psycho-logica is nou eenmaal geen logica.’
‘Nou, sterkte bij de tandarts morgen.’
‘Sterkte met je angst vandaag.’

