De vergetelheid begint voor je geboorte.
‘Het slechte nieuws is dat we allemaal doodgaan, Hans.’
‘Wat is daar slecht aan?’
‘Het goede nieuws is dat je pas echt dood bent als je vergeten bent.’
‘In dat geval ben je nu al grotendeels dood.’
‘Hoezo?’
‘Omdat je nu al grotendeels vergeten bent.’
‘Niet door mezelf, ik weet bijna alles nog.’
‘Alles wat je ooit gezien hebt, gedacht, geloofd, gedroomd, gevoeld, aangeraakt, geroken, geproefd, gegeten, gedragen, gelezen, gehoord, woord voor woord?’
‘Oké, niet alles.’
‘Hoeveel dromen? Hoeveel hartslagen? Hoeveel boeken? Noem eens op wat je de laatste donderdag van de vorige maand de hele dag hebt gedaan? Wat heb je vanmorgen tussen negen en vijf over negen precies gedacht?’
‘Oké, bijna niets dan.’
‘Als jij zelf al het meeste van je leven bent vergeten, hoeveel herinneren anderen zich dan van jou?’
‘Nog minder, ben ik bang.’
‘Dan ben je volgens je eigen definitie voor hen zo goed als dood.’
‘Hm.’
‘Als jij je van je eigen leven al zo weinig kunt herinneren, hoeveel herinner jij je dan van het leven van anderen?’
‘Nog minder, vrees ik. Een paar hoogte- en dieptepunten, wat anekdotes.’
‘Dan zijn zij volgens je eigen definitie voor jou ook zo goed als dood.’
‘Ik weet niet of ik dit wel wil weten.’
‘Ik weet niet of je dit nog kunt vergeten.’

