Uitvaart a la carte blanche.
‘De dokter geeft me nog maar een maand te leven, Hans.’
‘Sinds wanneer geven dokters leven?’
‘Alles is geregeld.’
‘Moest er wat geregeld worden dan?’
‘Het meeste werk was de begrafenis.’
‘Begrafenissen regelen zichzelf wel.’
‘Maar niet op mijn manier.’
‘Wat is jouw manier?’
‘Mijn favoriete muziek. Een doorlopende diashow met snapshots uit mijn leven. Mijn eigen necrologie. Een afscheidswoord op video. Een herinneringsdoos voor de kleinkinderen met memorabilia, briefjes en cadeautjes van opa.’
‘Rouwkaarten?’
‘Ontworpen, gedrukt en geadresseerd. Ze hoeven alleen nog op de post.’
‘Advertenties?’
‘In twee landelijke dagbladen.’
‘Afscheid vooraf in de aula?’
‘Met open kist, als ik nog een beetje toonbaar ben.’
‘Kleding?’
‘Ik ga op chic en ik wil dat iedereen voor de begrafenis zijn netste kleren aantrekt.’
‘Verbranden of begraven?’
‘Cremeren en de as in een urn in de urnenmuur.’
‘Cake of broodjes?’
‘Sushi.’
‘Testament?’
‘Pas nog vernieuwd. Voor de boedel is er een lijst waarop gegadigden hun voorkeur hebben aangegeven.’
‘Nou nou.’
‘En jij Hans, heb jij al iets geregeld?’
‘Als dertiger had ik alles al geregeld.’
‘En nu?’
‘Nu niet meer.’
‘Wat niet?’
‘Niks niet.’
‘Waarom niet?’
‘Omdat ik het niet meer weet.’
‘Muziek?’
‘Wat is daarmee?’
‘Bij je begrafenis.’
‘Ik betwijfel of er een begrafenis komt.’
‘Daarom kun je je muziek nog wel uitzoeken.’
‘Wat heeft dat voor zin?’
‘Dan kunnen de mensen je muzieksmaak leren kennen.’
‘Het kan ze al niet schelen nu ik nog leef.’
‘Je kunt ze ermee in een bepaalde stemming brengen.’
‘Hun eigen stemming is mij goed genoeg.’
‘Diashow?’
‘Als er nog tien foto’s over zijn is het veel.’
‘Hoe moeten mensen je dan gedenken?’
‘Moeten ze me dan gedenken?’
‘Als ze je willen gedenken.’
‘Zoals ze aan me denken.’
‘Geen herinneringsdoos, neem ik aan.’
‘Misschien is een lege wel een leuk idee.’
‘Toespraak?’
‘“Hans is dood.”’
‘Heb je al ideeën voor de rouwkaart?’
‘Weet ik veel of de geadresseerde in de rouw is.’
‘Hoe komen ze er dan achter dat je dood bent?’
‘Zoals ze overal achter komen.’
‘Namelijk?’
‘Via de tamtam.’
‘Niet iedereen is daarop aangesloten.’
‘Of ze nu dromen dat ik dood ben of leef.’
‘Jij denkt niet dat de dood het einde is?’
‘Ik kan wel zoveel denken.’
‘Mogen de nabestaanden nog afscheid van je nemen in de aula?’
‘Te laat.’
‘Hoezo?’
‘Omdat ik dan al dood ben, goochemerd.’
‘Cremeren of begraven?’
‘Welja.’
‘Bijzetten of uitstrooien?’
‘Waarom niet.’
‘Cake of broodjes?’
‘Koud vlees.’
‘Testament?’
‘De wet volstaat. Ik laat weinig na.’
‘Je hebt alles al opgeruimd.’
‘Ik heb nooit veel bewaard.’
‘Heb je een euthanasieverklaring?’
‘Die leg ik wel af als het zover is.’
‘Wat als je dan niet meer wilsbekwaam bent door dementie of zoiets?’
‘Denk jij dat iedere dementerende dood wil?’
‘Dementie lijkt mij een bezoeking.’
‘Mij ook, maar als het zover is heb ik het misschien reuze naar mijn zin.’
‘Weet jij veel.’
‘Weet ik veel.’
‘Dus jij hebt niets geregeld.’
‘Dus alles is geregeld.’

