Niet-weten kan je niet leren, maar spreken over niet-weten wel.

Wat is een paradox?

Een paradox is een stijlfiguur in de vorm van een uitdrukking of uitspraak die zichzelf tegenspreekt.

Voorbeelden:

Ik weet niets maar dat weet ik wel verdomd zeker.

Ik weet niets, dit ook niet.

Ik heb niets te zeggen, en dat zeg ik.

Ik heb zelfs niet niets te zeggen.

Een paradox kan ook de vorm van een definitie hebben:

Boeddhisten zijn gehecht aan onthechting.

Een non-dualist is iemand die denkt dat hij niemand is.

Een nihilist is iemand die gelooft dat je nergens in moet geloven.

Of de vorm van een vraag:

Zeker weten dat je overal aan moet twijfelen?

Een paradox is een oxymoron ter grootte van een zin, een oxymoron is een paradox ter grootte van een term.

Beide stijlfiguren brengen een tegenspraak (strijdigheid, tegenstrijdigheid, contradictio, aporie, onverenigbaarheid) tot uitdrukking.

Sunyata-sunyata en maya-maya

Een voorbeeld van een boeddhistische tegenspraak is sunyata-sunyata, de leegte van de leegte – leegte in het kwadraat, ik had het er eerder al over.

Sunyata-sunyata is bevestiging en ontkenning van de leegte ineen.

Dat voert ons niet terug naar de vorm, zoals je van een dubbele ontkenning zou verwachten, maar weg uit het denken in termen van vorm en leegte.

Zo kan je uit het hindoeïstische begrip maya (illusie) de term maya-maya smeden: de illusie van de illusie – illusie in het kwadraat.

Maya-maya is bevestiging en ontkenning van de illusie ineen, en voert ons niet terug naar de werkelijkheid, maar uit het denken in termen van illusie en werkelijkheid.

Expliciete en impliciete paradoxen

Soms is de dubbele ontkenning die karakteristiek is voor de paradox expliciet aanwezig:

Zelfs niet geloven in niet-geloven.

Zelfs niet reiken naar niet-reiken.

Zelfs niet nestelen in niet-nestelen.

Zelfs niet oordelen over oordelen.*

* Deze paradoxen staan toevallig allemaal in de gebiedende wijs, maar dat hoeft niet; ‘zelfs van onthechting onthecht’ is net zo paradoxaal als ‘zelfs niet hechten aan niet-hechten’.

De dubbele ontkenning kan ook verstopt zitten in de werkwoorden en zelfstandige naamwoorden:

Zelfs het relativeren relativeren.

Zelfs het loslaten losgelaten.

Zelfs het opgeven opgeven.

Zelfs het afwijzen afgewezen.

Zelfs van vrijheid bevrijd.

Alles liefhebben, zelfs de haat.

Overal ruimte voor hebben, zelfs voor bekrompenheid.

Overal voor open staan, zelfs voor geslotenheid.

Rustig blijven onder je onrust.

Bewijs uit het ongerijmde

De meeste mensen houden niet van paradoxen.

Wanneer een formeel correcte redenering tot een tegenspraak leidt, concluderen ze liever dat de aannames onjuist zijn.

In de logica heet dit een bewijs uit het ongerijmde, een reductio ad absurdum.

Door de aannames onjuist te verklaren, vluchten we uit absurditeit en herstellen we de intellectuele orde.

Bewijzen uit het ongerijmde zijn de bouwstenen van Hegels dialectiek – de filosofische methode die vooruitgang boekt via de weg van these – antithese – synthese.

De laatste van de reeks syntheses zou volgens Hegel uitmonden in het Absolute, dat alle tegenstellingen omvat en overstijgt.

In agnose is een paradox niet de opmaat tot een onweerlegbare reductio ad absurdum of de denkweg naar het alomvattende, maar de hartenkreet die de val in het ongerijmde inleidt, bekrachtigt en ontkracht, betreurt, bezingt en verzacht.

Stamelen over alles

Vrijwel iedere tekst over niet-weten (dwaaltekst) bevat tegenspraken op woordniveau (oxymoron), op zinsniveau (paradox) of over meerdere zinnen of alinea’s uitgesmeerd (tetralemma of vrije vorm).

In vrijwel ieder dwaalgesprek spreken de gesprekspartners elkaar of zichzelf herhaaldelijk tegen.

Ook mijn dwaalspreuken bevatten veel tegenstrijdigheden, al zijn niet alle dwaalspreuken paradoxen.

Weerspreken, herroepen, het terugnemen of bevragen van eerdere woorden en uitspraken en verborgen veronderstellingen, het vermenigvuldigen van betekenissen, interpretaties en oordelen tot aan en in de agnostische verbijstering – paradoxie is de essentie van het dwijze denken en spreken.

In de mystiek heet deze manier van spreken stamelen.

Stamelen, dat is jezelf doelbewust tegenspreken in de hoop dat de tegenspraak iets uitdrukt wat zich op geen enkele andere wijze onder woorden laat brengen.

De mysticus stamelt over God. Dat is zijn zaligheid.

De agnost stamelt over alles. Dat is mijn zaligheid.

Index | vorige | volgende

Categorieën: Hans van Dam
Tags: , ,

Lees ook:

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk