Dit zelf leren denken was voor ieder mens mogelijk (de devoten waren niet zelden vrouwen en mannen van eenvoudige komaf), zolang de mensen bereid waren tot een oprecht geloof. Behalve het principe van de gelijkheid van mensen huldigt Thomas a Kempis in dit boek het idee van de relativiteit van het denken. De waarheid kennen was voor de mens niet mogelijk, die was immers alleen in God; daarom moesten mensen ook vertrouwen op het geloof. Voor ieder mens was het echter wel mogelijk om op te klimmen naar hogere vormen van wijsheid, als mensen bereid waren om de eigen beperkingen en onkunde te onderkennen (bladzijde 42).
Geen grote woorden?
Ronald van Raak (1969), bekend geworden als kamerlid voor de SP en thans hoogleraar filosofie aan de Erasmus Universiteit, heeft in een boeiend boek de “Nederlandse denktraditie” in kaart proberen te brengen. Het is een lovenswaardige poging geworden, waaraan waarschijnlijk in deze tijden van eng nationalisme een grote behoefte bestaat. Het was ooit heel gewoon om je als Nederlander intensief met Sartre of Nietzsche bezig te houden, maar sinds het optreden van enkele politici, dat enthousiast werd gesteund door de vaderlandse media, wordt dit nu bijna gezien als landverraad. De massa schreeuwt om normen en waarden van eigen bodem, hoe miezerig en pover ze ook mogen zijn.
Wat kunnen we verwachten van deze zo gewilde eigen filosofische hoogtepunten? Het bovenstaande citaat spreekt hier boekdelen: de hogere wijsheid veronderstelt het geloof en dan heet het “filosofie”. Zie hier de “Nederlandse denktraditie”! En dit alles is verpakt in een grauw omhulsel van gespeelde bescheidenheid. Wij Nederlanders zijn er immers trots op dat we nuchter en laag-bij-de-gronds zijn, geen mensen van “grote woorden”! Wij zijn immers bereid om de eigen beperkingen en onkunde te erkennen!
Dit klinkt allemaal erg mooi, dus waarom zou deze bescheidenheid gespeeld zijn? Omdat, beste lezer, het bovenstaande citaat van Thomas a Kempis waar Van Raak zo enthousiast over is, vol staat met grote woorden! Grote woorden over de absolute waarheid die de mens niet zou kunnen kennen en die alleen in God zou zijn! Is deze uitspraak dan zelf niet bedoeld als een absolute waarheid? Hoe weet Thomas dat de waarheid onkenbaar is? Waarom is zijn uitspraak dan wel absoluut waar? Is deze geloofsbelijdenis niet zelf een bak vol grote woorden en pretenties? Heeft de kerkvader Tertullianus niet geschreven credo quia absurdum oftewel “ik geloof omdat het absurd is”? Is dit laatste niet een definitief afscheid van de filosofie, van het “zelf denken”? Trouwens, de tegenhanger van Augustinus: credo ut intelligam, “ik geloof om te begrijpen”, is een indrukwekkende filosofische miskraam. Bestaat denken dan niet uit durven twijfelen en durven niet voor zoete koek aan te nemen wat je wordt voorgeschreven? Heeft Socrates niet geleerd dat je altijd moet doorgaan met vragen stellen totdat je weet dat je niets weet? Kortom, hierbij stel ik vast dat de “Nederlandse denktraditie” niets anders is dan een monotoon liedje van laffe middelmatigheid en zelfvoldaanheid!
De invloed van de polder
Van Raak heeft dit liedje echter wel mooi en nauwkeurig beschreven! Hij begint in de tiende eeuw, maar de eerste Nederlandse filosoof die een beetje uit de verf komt, is Zeger van Brabant (1240 – 1281), die tegenover de kerk de leer van Aristoteles verdedigde en uiteindelijk door zijn secretaris werd vermoord (bladzijde 23). Zijn werk werd vanuit de Lage Landen voortgezet door Johannes Buridanus (1295 – 1358). Beide heren werkten echter niet in Nederland of België, maar in Parijs.
Van Raak introduceert de filosofie in de Lage Landen met een beschrijving van mystici als Hadewijch en Jan van Ruusbroec, om dan al gauw aan te komen bij Geert Grote (1340 – 1384) en zijn beweging van de Moderne Devotie in Deventer. Deze school bracht twee bekende leerlingen voort: de al genoemde Thomas a Kempis, die het boek De imitatione Christi (Over de navolging van Christus) schreef en Desiderius Erasmus, auteur van Lof der Zotheid.
Het eerstgenoemde boek is een devotiehandleiding die in wel 90 talen is vertaald. De kerk is dol op kwezels! Het laat de lezer zien hoe hij of zij de Here in zichzelf kan vinden. Van Raak noemt dit “zelf leren denken” (bladzijde 42). Je zou dus kunnen zeggen dat het boek het individualisme in het geloof introduceerde en daarmee voorzag in een groeiende behoefte.
Interessant is de helaas te korte beschrijving van het Noordelijk humanisme, met Heymeric van der Velde, Nicolas Cusanus en Rudolf Argicola (bladzijde 46 – 49). Er zijn 10 bladzijden gewijd aan Erasmus, maar ook hier komt de man als filosoof noch als persoon duidelijk over het voetlicht. Van Raak blijft namelijk vaak wat afstandelijk, hij is meer geschiedenisleraar dan filosoof.
Ten tijde van het ontstaan van de Republiek komt ook René Descartes in beeld, die graag profiteerde van de sfeer van openheid en tolerantie die toen was ontstaan. Eindelijk iemand die zelf nadacht, zou je zeggen. De gereformeerde theologen waren er echter niet blij mee. Niet alleen moest Descartes zelf uitkijken geen ruzie met de paus te krijgen, de studie van zijn wel gepubliceerde werk stuitte weer op Calvinistische weerstand. Deze is trouwens zelfs nu nog niet helemaal weg: Angelsaksische auteurs beschuldigen hem steevast van het introduceren van de duivelse dualiteit van lichaam en geest, alsof deze niet al bij Plato is te vinden.
De weerstand tegen de filosofie werd nog groter door het werk van Spinoza. Het waren roerige tijden. Een Haagse meute verscheurde de gebroeders De Wit en Willem III van Oranje keek toe en zag dat het goed was. Waar heb je anders een koningshuis voor nodig! Spinoza had God vereenzelvigd met de natuur, zodat deze deel uitmaakte van de werkelijkheid. Als een Calvinist ergens bang voor is, dan is het een werkelijke God. Zelfs in Frankrijk en Engeland gruwde men ervan. Door zijn gedachten alleen in brieven met vrienden te bespreken en zijn belangrijkste boeken postuum te publiceren wist Spinoza zich het vege lijf te behouden. Nog in de 19e eeuw durfde Thorbecke niets te publiceren over Kant of Spinoza (bladzijde 129). Toen in 1880 in Den Haag een standbeeld van Spinoza werd onthuld, stonden de christelijke Kamerleden op hun achterste poten (bladzijde 136)
De invloed van de polder is dus geweest dat alleen drassige denkers in het zompige Calvinistische klimaat konden gedijen. De oorzaak hiervan is waarschijnlijk de invloed van de zovele van hun geloof gevallen predikanten uit het platteland. Wie boven het maaiveld uitkwam, moest uitkijken. De meest succesvolle filosofen uit de Lage Landen maakten carrière in het buitenland.
Conclusie
Ik heb het boek met plezier gelezen, toch kan ik moeilijk wennen aan de eindnoten waardoor je voortdurend moet bladeren. Ze bevatten te vaak opmerkingen die relevant zijn bij het lezen, dat daardoor tegelijk moet worden onderbroken. Ik vermoed dat alle Nederlandse opmakers in voorsteden wonen met strak en uniform betegelde tuintjes voor en achter. Keurig netjes opgeruimd!
Er staan in het boek veel beschrijvingen van filosofen die tot nog toe voor het grote publiek onbekend zijn gebleven. Van Raak is ook een boeiend verteller, maar hij gunt zichzelf niet de tijd om de lezer mee te nemen in de discussies van de tijd en de denkwijze van de filosoof. Daarnaast vind ik zijn sympathie voor het Calvinisme moeilijk te verteren.
Helaas bespeur ook nogal wat lacunes in zijn verslag. Blijkbaar heeft hij zich nogal laten meeslepen door zijn eigen voorkeuren. Hij noemt bijvoorbeeld Gabriel Nuchelmans niet, deze was een student van Wittgenstein. Trouwens de veronderstelling dat Wittgenstein zijn nieuwe filosofie aan de wiskundige Bert Brouwer (1881 – 1966) te danken heeft, is nogal omstreden. Meer aannemelijke invloeden zijn Edmund Husserl en Michael Bakhtin. Het verhaal dat vertelt hoe pater Jan van Breda het Husserlarchief uit de handen van de Duitse bezetter wist te houden, had hier ook bij moeten staan. De literaire en filosofische invloeden van Schopenhauer en Nietzsche worden niet genoemd en wat te denken van Bernard van Mandeville (1670 – 1733), die met zijn uitdagende Fabel van de bijen de schijnheilige moraal uitdaagde?
Ik kan zo nog wel even doorgaan en het is natuurlijk mooi dat er over de Nederlandse denktraditie zoveel te vertellen valt dat het niet in een boek past, maar wie een inleiding wil, heeft behoeft aan wat evenwicht. Een probleem waar de schrijver mee heeft geworsteld is hoe de ontwikkeling van de filosofie in Nederland kan worden beschreven zonder al te veel aandacht te besteden aan de ontwikkelingen in andere landen. Aangezien er toen al veel gereisd en gecorrespondeerd werd, is daardoor een grote bron van kennis en inzicht onderbelicht gebleven. Misschien worden deze lacunes in een later stadium alsnog aangevuld.
Als we nu eens niet kijken naar wat er niet in het boek staat, maar naar wat er wel in staat, dan kunnen we alleen maar onder de indruk zijn van de vele uren van studie die aan het boek ten grondslag liggen en de interessante beschrijvingen die daarvan het gevolg zijn.


Geef een reactie