Boeddhabeelden van dichtbij · deel 1: handgebaren
Een gebaar als vertrekpunt
Wie voor een boeddhabeeld staat, kijkt vaak eerst naar het gezicht. De gesloten ogen en de zachte glimlach trekken de aandacht. Zelf kijk ik ook graag naar de handen. Een paar vingers kunnen al duidelijk maken welk verhaal een beeld vertelt. Daarvoor hoeft u de namen van alle gebaren niet te kennen. Rustig kijken is een goed begin.
De handgebaren worden mudra’s genoemd. Ze vormen een herkenbare beeldtaal, die in verschillende boeddhistische tradities wordt gebruikt. Een hand die naar de aarde reikt, betekent iets anders dan een hand met de palm naar voren. Toch werkt die taal niet als een woordenboek waarin ieder gebaar overal precies dezelfde betekenis heeft. De rest van het beeld blijft belangrijk.
Bij het aanraken van de aarde ligt de linkerhand doorgaans open in de schoot. De rechterhand gaat over de knie naar beneden. Dat laatste is de rechterhand van de figuur, dus voor de kijker links. Het is een klein onderscheid, maar het voorkomt verwarring wanneer twee beelden naast elkaar staan.

Dit gebaar verwijst naar het verhaal waarin de Boeddha de aarde tot getuige roept van zijn verdiensten, tegenover de beproevingen van Mara. Het moment is verbonden met zijn ontwaken. De neerwaartse hand is dus geen toevallige manier om een arm te laten rusten. Ze maakt een gebeurtenis zichtbaar zonder woorden.
Een open palm, handen in de schoot
Een opgeheven hand met de palm naar voren heeft een heel andere werking. Wij kunnen daar gemakkelijk een stopteken in zien. Bij een boeddhabeeld verwijst het abhaya-gebaar doorgaans naar onbevreesdheid en bescherming. De open palm stelt gerust. Bij het staande Thaise beeld op deze pagina is goed te zien hoeveel betekenis in zo’n eenvoudige houding past.
Bij een meditatiegebaar liggen de handen in de schoot, met de palmen omhoog. Vaak rust de rechterhand op de linker. De precieze uitvoering verschilt per traditie. Kijk daarom niet alleen naar de handen, maar ook naar de houding van het lichaam en eventuele voorwerpen die de figuur vasthoudt.
Ook de geschiedenis van het voorwerp vraagt aandacht. Handen en vingers zijn kwetsbaar. Bij oude beelden kunnen onderdelen ontbreken of later zijn aangevuld. Een nieuwe vinger kan onze lezing veranderen. Wie een gebaar wil duiden, heeft daarom soms meer aan een goede detailfoto dan aan een snelle blik op het geheel.
Wat ik na ruim vijfentwintig jaar verzamelen nog steeds prettig vind, is dat kennis het kijken niet hoeft over te nemen. U kunt eerst gewoon opmerken wat een gebaar bij u oproept. Daarna maakt het achterliggende verhaal duidelijk waarom de maker juist deze handen koos.

Meer uitleg over mudra’s en handgebaren.
Peter Vredeveld verzamelt en bestudeert al meer dan 25 jaar boeddhistische kunst. Hij is eigenaar van Original Buddhas, een galerie voor antieke boeddhistische en hindoeïstische beelden in een voormalige kerk in Deventer.


Geef een reactie