Afgelopen week keek ik naar een aflevering van de serie ‘Moeders’, vrouwen die door het krijgen van kinderen in een soort gevangenschap, verlies van vrijheid terecht kwamen. Een van de vrouwen met twee kinderen -zij verliet haar man en de kleintjes op een dag – kwam mij qua gezicht al bekend voor. En toen zij vertelde dat zij naar een van de Vredesaktiekampen (VAK) in Woensdrecht vertrok en ik een foto van haar zag temidden van andere activisten was het plaatje rond in mijn geheugen.
Als journalist deed ik in de jaren ’83 tot ’87 voor de Gemeenschappelijke Persdienst (GPD) kranten met ruim twee miljoen lezers in België en Nederland, verslag van het verzet tegen de voorgenomen plaatsing van 48 kruisraketten op de luchtmachtbasis Woensdrecht. De in de loop der tijd honderden activisten verbleven onder vaak zware omstandigheden in de bossen rond de basis. Eerst legaal tot de vervangende burgemeester van Woensdrecht daar een eind aan maakte. Er waren meerdere vredesaktiekampen, de bekendste waren wel het Bunker VAK en het Bos VAK. Vrouwen verbleven in het vrouwen VAK.
Zomers viel het permanent verblijf in de bossen wel mee maar ’s winters als de sneeuw toen nog zeg maar tot je knieën reikte, was het een koude hel, zoals sommige boeddhisten zeggen. De toen nog rijkspolitie ontruimde ook in de koude winter de VAK’s regelmatig. De vaak van plastic gemaakte onderkomens werden gesloopt en meegenomen. Sommige politiemensen weigerden dat omdat ze dat onmenselijk vonden. En elke keer werden er na de sloop door de activisten nieuwe onderkomens gemaakt.
Voor mij als journalist was ‘Woensdrecht’ een pittige klus. Ik verbleef meer in de bossen dan dat ik thuis was bij mijn gezin met jonge kinderen. Journalisten worden verondersteld neutraal – zonder vooringenomenheid- hun werk te doen. Ik was vaak vooraf op de hoogte van wat de vredesactivisten van plan waren te doen op en rond de basis – ze gingen vernielingen niet uit de weg, maar had ook contacten met de militaire voorlichters en met de Rijkspolitie en andere instanties.
Het was een ingewikkelde maar zeker geen saaie klus. Een Amerikaanse geheime dienst stuurde de agent John Gardiner op de activisten af. Hij verbleef op het VAK in een soort caravan. De activisten kwamen er al snel achter dat de man niet te vertrouwen was -hij wilde de VAK’s besmetten en uitschakelen door daar kisten met granaten te plaatsen- een stempel van gewelddadigheid erop drukken.
Het was Pasen toen de rol van Gardiner aan het licht kwam. Activisten vertelden het mij bij mij thuis omdat onze telefoons werden afgeluisterd. Wat te doen? Ik belde toen een bevriende advocaat voor advies omdat ik over Gardiner een artikel wilde schrijven. Hij zat aan het Paasontbijt maar wilde toch naar Woensdrecht komen om de activisten bij te staan. Hans, de advocaat, droeg zijden sokken tot zijn knieën en reed in de grote Buick -met chauffeur doordeweeks, dus hij viel op bij de activisten. Wat was zijn advies? Alle aanwezige activisten moesten met hun blote handen de kisten met granaten aanraken, Hans gaf het voorbeeld, zodat er honderden vingerafdrukken op stonden. Daarop werd het bureau van de Rijkspolitie gebeld en verteld dat er kisten met granaten onderweg waren. Bij aankomst was het bureau een vesting. Gardiner had intussen de benen genomen.
De kruisraketen zijn er nooit gekomen. In 1987 keerde ik weer terug naar het normale journalistieke onderzoekleven. Maar ik ben die tijd nooit vergeten. Zo bijzonder. Een moeder die vredesactivist werd.


Geef een reactie