Soms gebeurt het in een fractie van een seconde.
We krijgen een mail en voelen meteen spanning. Iemand zegt iets terloops, maar vanbinnen schiet er iets overeind. Een stilte aan tafel voelt plotseling als afwijzing. Nog vóór we goed beseffen wat er gebeurt, zijn we al onderweg: verklaren, verdedigen, terugtrekken, pleasen, boos worden, harder worden.
Alsof er in ons een oude bewaker wakker wordt.
Die bewaker noemen wij de overlever. Hij is niet dom. Hij is niet slecht. Hij is ook niet zomaar een lastig patroon dat we moeten afleren. De overlever is ooit ontstaan om ons door moeilijke omstandigheden heen te helpen.
Als kind weten we nog niet wat volwassenheid is. We leren dat niet uit boeken, maar uit ervaring. Ouders, verzorgers, leraren en andere belangrijke volwassenen laten ons voelen wat het betekent wanneer iemand groter is, sterker is, verantwoordelijkheid draagt en voor ons zorgt.
Als dat goed genoeg gaat, wordt ons aangeboren basisvertrouwen bevestigd. Er is iemand die blijft. Iemand die ziet wat nodig is. Iemand die niet meteen boos wordt, wegloopt, instort of ons verantwoordelijk maakt voor zijn pijn.
Dan kan een kind langzaam ervaren: samen zijn is veilig. Ik hoef het niet alleen te doen. Er is een volwassene die bij mij blijft.
Maar als de omstandigheden onveilig, wisselend of te zwaar zijn, leert een kind iets anders. Dan wordt het niet werkelijk gedragen, maar moet het zelf gaan dragen. Het moet opletten, aanpassen, sussen, verklaren, sterk zijn of onzichtbaar worden.
Zo ontstaat de overlever: een innerlijk deel met één opdracht — zorgen dat het kind erdoorheen komt.
Dat is belangrijk om goed te begrijpen. De overlever ontstaat niet omdat er al een interne volwassene was die faalde. Hij ontstaat omdat er nog geen interne volwassene kón zijn. Een kind kan zichzelf nog niet vanbinnen opvangen. Het is afhankelijk van echte volwassenen buiten zichzelf.
Wanneer die volwassenen onvoldoende beschikbaar zijn, moet het kind iets ontwikkelen om verder te kunnen. De overlever neemt dan de regie. Niet omdat hij vrij is, maar omdat er niemand anders lijkt te zijn die zorgt draagt.
Daardoor krijgt de overlever vaak ook een beschadigd beeld van volwassenheid. Volwassen zijn betekent dan bijvoorbeeld: onvoorspelbaar zijn, je niet kwetsbaar tonen, affectief afwezig zijn, of juist iedereen tevreden houden zodat er geen spanning ontstaat.
Voor de overlever wordt dát volwassenheid.
Daarom vertrouwt hij later de interne volwassene niet zomaar. Die interne volwassene ontstaat pas veel later: door levenservaring, relaties, reflectie, bewustwording, innerlijk werk en soms therapie.
Wanneer er vanbinnen iets nieuws begint op te staan — een rustige, aanwezige, meer volwassen stem — denkt de overlever niet meteen: eindelijk hulp. Hij denkt eerder: dat zullen we nog wel eens zien.
Want waar waren de volwassenen toen het moeilijk was? Waar waren zij toen het kind bang was, alleen stond, zich moest aanpassen of zichzelf kwijtraakte?
De overlever heeft geleerd dat je niet zomaar op volwassenen kunt rekenen. Waarom zou hij deze nieuwe interne volwassene dan onmiddellijk vertrouwen?
Dat maakt innerlijke groei ingewikkelder dan vaak wordt gedacht. De interne volwassene moet niet alleen leren aanwezig te zijn bij het kind. Hij moet ook leren omgaan met het wantrouwen van de overlever.
Hij moet het vertrouwen van de overlever verdienen.
Niet door te heersen. Niet door de overlever streng toe te spreken. Niet door te zeggen dat het nu maar eens afgelopen moet zijn met al die oude reacties.
De overlever heeft jarenlang zijn best gedaan. Hij heeft het kind beschermd op de enige manier die hij kende.
Alleen is hij geen goede leider voor het hele leven.
De overlever kan redden, maar niet werkelijk vrij leven. Hij kan gevaar scannen, maar niet vrij ontmoeten. Hij kan controle organiseren, maar geen echte nabijheid dragen. Hij kan zorgen dat we doorgaan, maar niet dat we thuiskomen bij onszelf.
Daarvoor is de interne volwassene nodig.
De interne volwassene is niet de strenge stem die zegt dat we ons niet moeten aanstellen. Hij is ook niet degene die de overlever wegduwt. Hij is de volwassene in ons die kan blijven waar vroeger niemand bleef.
Degene die naar het kind kan kijken zonder ervan weg te gaan.
Degene die tegen de overlever kan zeggen: ik begrijp waarom jij zo hard hebt gewerkt, maar je hoeft het niet langer alleen te doen.
Dat vraagt iets anders dan controle. Het vraagt aanwezigheid.
Veel mensen lijken aan de buitenkant volwassen. Ze werken, zorgen, plannen, betalen rekeningen en nemen verantwoordelijkheid. Toch kan vanbinnen nog steeds een bang kind bepalen wat er gebeurt, of een gespannen overlever aan het stuur zitten. We functioneren dan wel, maar we zijn niet werkelijk vrij.
De vraag is daarom niet alleen: kan ik voor een ander zorgen?
De vraag is ook: wie zorgt er in mij voor het kind dat ooit alleen stond? Wie blijft erbij als het bang wordt? Wie luistert als het zich schaamt? Wie grijpt niet meteen naar controle, terugtrekking, boosheid of pleasen?
Daar begint echte volwassenheid.
In boeddhistische taal zouden we kunnen zeggen: er ontstaat aandacht. Ik bén mijn angst niet; ik merk mijn angst op. Ik bén mijn overlever niet; ik zie dat hij actief wordt. Ik bén mijn oude verhaal niet; ik kan wakker worden in dit moment.
Dat wakker worden begint klein. In een gesprek waarin we plotseling geraakt worden. In een mail die ons boos maakt. In een stilte waarin we ons afgewezen voelen. In een opmerking waardoor we ons weer dat kind voelen dat niet veilig was.
De overlever wil dan meteen ingrijpen. Aanvallen. Verklaren. Weggaan. Hard worden. Zich aanpassen.
De interne volwassene zegt: wacht even. Wat gebeurt hier in mij?
Niet om de reactie te onderdrukken, maar om er niet langer volledig mee samen te vallen. Dan ontstaat er ruimte. We kunnen kiezen wat we doen, in plaats van geleid te worden door oude reflexen.
Dat ene moment van innerlijke ruimte kan alles veranderen.
Misschien begint daar de volwassene in ons: niet als degene die alles oplost, maar als degene die niet meer wegloopt.


Geef een reactie