Antropologen bestuderen menselijke culturen en de ontwikkeling van de mens als onderdeel van een maatschappij. Deze serie artikelen in het Boeddhistisch Dagblad pretendeert niet volledig te zijn. Over vrijwel ieder thema valt ontegenzeggelijk veel meer te zeggen, en bepaalde zaken komen zelfs niet of nauwelijks aan bod. Voor wie door deze serie in antropologie geïnteresseerd raakt, is er meer dan genoeg boeiende, verdiepende literatuur te vinden.
De antropologie houdt zich ook met taal bezig. Er bestaat zelfs een gespecialiseerde tak van de antropologie van: linguïstische antropologie. Hoe beleven mensen talen, niet alleen de taal die zij zelf spreken, maar ook vreemde talen. En daar zijn er nogal wat van: een kleine zevenduizend! De grootste talen, die met de meeste ‘sprekers’ dus, zijn in volgorde van grootte: Chinees (Mandarijn); Spaans; Engels; Arabisch; Hindi; Bengali; Russisch; Japans; en Punjabi. Dus niet het Nederlands! Dat is een leuk taaltje, maar je kunt het met de beste wil van de wereld geen wereldtaal noemen.
Antropologen zijn geen experts in talen. Een antropoloog interesseert zich vooral in semantiek (betekenisleer) en sociolinguïstiek (hoe sociale culturele factoren zoals klasse, etniciteit en geslacht de taal beïnvloeden). Wat semantiek betreft: een volk dat eigenlijk nooit sneeuw ziet, zal weinig woorden voor dat witte goedje kennen, terwijl een volk – zoals de Sami (Laplanders) – dat grote delen van het jaar in een witte wereld leeft er juist meerdere voor heeft. Anders gezegd: de woordenschat van een taal geeft de werkelijkheid weer zoals de sprekers van die taal deze beleven, liefhebben, hopen, vrezen, verwachten en verlangen. Dat werkt nooit andersom! Je kunt een ‘orikopoenawap’ niet liefhebben of vrezen wanneer je geen idee hebt van wat een ‘orikopoenawap’ is. Je kunt er ook niet naar verlangen, op hopen, of ook wat dan ook. Er is dus altijd eerst een idee of beeld, en voor dat idee of beeld ontstaat een woord. De eerste woorden in een taal zijn waarschijnlijk ontstaan als onomatopee ofwel klanknabootsing: ‘ssssisss’, ‘boem’, ‘tjiep tjiep’ en ‘tok tok’. Vandaar was er nog een hele taalontwikkeling te gaan tot woorden als ‘elektriciteitscentrale’, ‘hogesnelheidstrein’ en ‘prajna paramitha sutra’ om maar wat te noemen.
Dat culturen en talen elkaar beïnvloeden staat buiten kijf. Het is vrijwel onmogelijk om een cultuur door en door te begrijpen zonder de taal te kennen of een taal op een volstrekt natuurlijke wijze (als ‘native’) te spreken zonder de cultuur waarin die taal ‘leeft’ te kennen. Taal IS cultuur en cultuur IS taal; dat mag je gerust zo stellen. En met taal bedoel ik dan niet alleen de gesproken en geschreven taal, maar ook alle bij die taal horende gebaren, gezichtsuitdrukkingen en andere non-verbale uitingen variërend van het slaken van een zucht tot kledingkeuze. Kledingkeuze? Ja. Kleding heeft ook een functie als comminicatie-middel en daarom vind ik het ook min of meer een talig iets. Niet kennen van een non-verbale taal kan een toerist zwaar opbreken wanneer hij of zij nietsvermoedend door een verkeerd gebaar iemand beledigd, dan wel zichzelf ongeloofwaardig, verdacht maakt of belachelijk maakt. Als voorbeeld geef ik het misverstand tussen katten en honden: een hond zwaait met zijn staart (kwispelen) wanneer hij blij is of wil spelen en houdt zijn staart stil wanneer hij boos is en dreigt aan te vallen… de kat doet het precies omgekeerd. Wanneer een kat dus een hond kwispelend op zich af ziet komen … of wanneer een hond een poes benaderd die met de staart zwaait… dan gaat het geheid mis. Mensen leven soms als honden en katten naast elkaar.
Jargon is een taal die zich beperkt tot een groep. Mensen die niet tot dezelfde groep behoren, spreken het gebezigde jargon niet of slechts gebrekkig, en kunnen zich daardoor – terecht – buitengesloten voelen. Het is verwarrend. Jongerentaal is ook een soort jargon. Het is doorgaans sterk tijdgebonden en (onbewust?) zelfs bedoeld om niet-jongeren uit de in-group te verwarren, zoals ouders. Je gaat toch niet hetzelfde jargon gebruiken als de generatie voor je? Stel dat ze begrijpen wat je bedoelt.
Ik reken de taal die sommige boeddhisten gebruiken ook tot ‘jargon’. De woorden die zij gebruiken zijn voor buitenstaanders immers veelal onbegrijpelijk. Je moet op een of andere manier al met de leer van het hinayana, mahayana, dzjogchen of wat ook bekend zijn, om enigszins te kunnen begrijpen wat er gezegd, geschreven of überhaupt bedoeld wordt! Hetzelfde geldt voor christenen en islamieten. Zolang we elkaar met boeddhistisch, christelijk of islamitisch jargon benaderen, blijven we langs elkaar praten en komen we nauwelijks tot wederzijds begrip. En aan wie of wat ligt dat dan?
Kinderen zeggen wel eens tegen elkaar: “Wat je zegt, dat ben je zelf!”. Dat is waar. Helaas zijn veel mensen zich dat vaak weinig bewust. Het geldt voor iedereen. De taal waarin je denkt, is vaak ook de taal die je dagelijks gebruikt en aan anderen laat horen (of lezen) en die taal – in al haar complexiteit – verraadt grotendeels wie en wat je bent. Die taal is een uiting van jouw cultuur, jouw achtergrond, jouw gedachtewereld, jouw gevoelens … kortom van de werkelijkheid waarin en waaruit jij leeft. De woorden die je kiest, de volgorde en de manier waarop je ze uitspreekt, de klemtonen die je aanbrengt, gebaren die je erbij maakt en nog veel meer… Wat je zegt en hoe je het zegt… dat ben je zelf.
(Wordt vervolgd)


Geef een reactie