Een moeder zit aan tafel tegenover drie hulpverleners. Er wordt rustig gesproken en er worden aantekeningen gemaakt. Woorden als veiligheid, kader en afstemming komen voorbij. De moeder knikt en probeert te volgen. Af en toe kijkt ze naar haar handen in haar schoot, alsof ze ergens houvast zoekt.
Maar ergens onderweg raakt ze iets kwijt. Niet de woorden, maar het gevoel dat het nog over haar en haar kind gaat. Alles verloopt zorgvuldig en toch is er geen echte ontmoeting.
We leven in een samenleving waarin veel gebeurt. Er wordt georganiseerd, gemeten en besloten, en toch ervaren veel mensen dat er iets ontbreekt. Iets eenvoudigs en tegelijk wezenlijks: ruimte voor ontmoeting, ruimte om te voelen wat er speelt, om te luisteren zonder meteen te reageren, om bij de ander te blijven, ook als het schuurt.
Als die ruimte kleiner wordt, gebeurt er iets, in mensen en tussen mensen. We gaan in de overlevingsstand. Dat ziet er niet altijd heftig uit; vaak draait alles gewoon door, soms zelfs opvallend efficiënt. Maar onder die efficiëntie verschuift er iets. Bescherming wordt belangrijker dan ontmoeting, controle belangrijker dan vertrouwen, en het systeem belangrijker dan de mens.
In de zorg en de jeugdbescherming wordt dat soms pijnlijk zichtbaar, juist op plekken waar mensen gezien en gesteund willen worden. Regels en protocollen zijn er niet voor niets, maar ze kunnen iets gaan overnemen wat zich niet laat organiseren: aandachtige aanwezigheid. Dan wordt iemand een dossier, iets wat beheerst moet worden, en daar kan het gevoel ontstaan dat je er alleen voor staat.
Misschien is dat de stille vervreemding van deze tijd: niet dat we geen contact hebben, maar dat we elkaar minder echt bereiken. We hebben het vaak over verbinding, maar verbinding laat zich niet maken. Ze ontstaat waar ruimte is, ruimte om te luisteren, om niet meteen te weten, om geraakt te worden.
Misschien begint herstel daarom niet met nieuwe oplossingen, maar met iets veel eenvoudigers: opnieuw leren om bij elkaar te blijven, niet als rol of functie, maar als mens.


Siebe zegt
Over wat jullie schrijven over rol en functie en bij elkaar blijven als mens.
Ik ben zelf iemand geweest die rol en functie voorop stelde. Ik deed gewoon wat van mij verwacht werd. Ik denk al als kind maar ook als puber en later nog. Zo functioneerde ik. Ik vond ook dat het zo hoorde.
Ik heb grote angsten uitgestaan om zaken anders te gaan doen. Het moest wel want ik kon zo niet verder. Gelukkig maar, denk ik nu.
Toch vond ik toen dat ik er gewoon goed aan deed om in functie te zijn en in een rol. In functie kon ik schaamteloos overdrijven, de zaken te mooi of lelijk voorstellen etc. Mijn baas had me dat niet eens opgedragen maar ik vond gewoon dat ik zo moest functioneren.
Ik geloof niet dat ik de enige ben die het heel normaal vindt om in een rol/functie te zitten en dan ook iets (of heel veel) van oprechtheid, geweten, openheid, zuiverheid in te leveren. Nu vind dit wel een beetje dommig van me. Maar ik kan het anderen ook niet kwalijk nemen. Het heeft mij zoveel tijd, en vooral ook moeite gekost ook, om het niet meer normaal te vinden om in te leveren wat eigenlijk van grote waarde is.
Je beschermt natuurlijk noch jezelf noch anderen door in te leveren aan gevoeligheid, oprechtheid, geweten etc. Ik zie het ook wel als een les waarin je niet snel uitgeleerd bent. Het blijft verleidelijk toch weer in te leveren aan gevoeligheid, oprechtheid, geweten etc.
Luuk Mur zegt
Dag Siebe,
Dank je wel voor je open reactie.
Wat je beschrijft herkennen we — dat het zo vanzelfsprekend kan voelen om in een rol te functioneren, en daarbij iets van je gevoeligheid of oprechtheid in te leveren. Niet alleen in systemen, maar ook in onszelf.
Wat raakt, is dat je het niet veroordeelt. Daar ontstaat ruimte.
Ruimte om opnieuw te voelen wat van waarde is — en om daar, stap voor stap, weer naar terug te keren.
En misschien is dat de beweging waar het om gaat: niet perfect worden, maar telkens weer kiezen om mens te blijven.
Hartelijke groet,
Luuk