Soms raak je onverwacht in gesprek met iemand. Zomaar op straat. Voor een tuinhekje, op een bankje in het park, op een muurtje op het perron van een treinstation. Het kan overal gebeuren.
We zaten met z’n tienen in een pannenkoekenschip aan een lange tafel. We wachten op de pannenkoeken. Ondertussen kakelde iedereen als een kip zonder kop. Het was een kakofonie, of beter gezegd: een klereherrie. Ik kan daar slecht tegen.
“Ik lig er vaak wakker van …” schreeuwde de vrouw tegenover mij in mijn richting. “En jij?”
“Wat bedoel je?”, riep ik terug, in de hoop op meer duidelijkheid. Haar antwoord verstond ik niet. Ik keek haar alleen maar aan, haalde mijn schouders op en loeide: “Ik heb daar wel zin in!” Natuurlijk bedoelde ik de bestelde pannenkoek, niks anders. Mijn buurman ter linkerzijde boog zich vervolgens naar mij toe en lichtte toe: “Ze bedoelt dat ze wakker ligt van alle onrust in de wereld. Ze is bang dat de derde wereldoorlog uitbreekt!”
Ik knikte begrijpend. “Piekeren en wakker liggen helpt niet. Je wordt er alleen maar moe van en het lost niks op.” Buurman grijnsde. Overbuurvrouw keek onthutst. Een serveerster zette ons ieder een groot bord voor. Ik pakte de strooppot en lepelde een klodder kleverige zwartheid over mijn maaltijd.
“Wat doe jij dan?” wilde de vrouw weten.
“Veel stroop!” kreet ik boven het gekakel uit. “Ik ben een zoetekauw.” Opnieuw boog buurman zich naar mij toe. Ik voelde zijn adem in mijn linkeroor, terwijl hij zei: “Ze wil weten wat jij doet als je niet kunt slapen?”
“O…okee…” mompelde ik en dacht even na. Daarna brulde ik: “Als ik niet kan slapen fantaseer ik dat ik iedereen uitschakel. Dat doe ik iedere avond en dat wordt op den duur zo stomvervelend dat ik vanzelf in slaap val.”
Blijkbaar had ik iets gezegd dat tegen het beeld in ging dat buurman van mij had. Hij stootte mij aan en riep verbijsterd: “Ik dacht dat jij pacifist was!”
“Ben ik ook…” beaamde ik met volle mond, maar luid genoeg om verstaanbaar te zijn. Ik merkte dat het ineens vrij stil geworden was. Iedereen was aan het eten geslagen, maar de laatste woorden van buurman hadden er wel voor gezorgd dat iedereen aan de lange tafel nu mijn kant opkeek.
“Het is pacifisten toch niet verboden mensen uit te schakelen?” vroeg ik verontschuldigend met mijn vork in de hoogte. “Ik fantaseer niet dat ik ze dood of zo…”
“Hoe dan?”, wilde iemand weten.
“Gewoon… ik heb een wapen uitgevonden dat ervoor zorg dat iedereen waar ik het wapen op richt de controle over zijn sluitspieren verliest, niet meer op zijn benen kan staan, geen wapen meer kan vasthouden … dat soort dingen. Ik fantaseer gewoon dat ze allemaal de broek vol piesen en schijten, overgeven, en voor pampus liggen … Ik garandeer je dat er dan erg weinig vechtlust bij ze overblijft. En ik slaap heerlijk. Lekker pannenkoek trouwens.”
“Je hebt schijt aan ze!” concludeerde de buurman.
“Ikke niet,” corrigeerde ik hem. “Als ik ze uitschakel hebben ze daarna zelf schijt aan alles!”


Geef een reactie