Ik kreeg een WhatsAppbericht van een oud-collega. “Peter Pijls is overleden”. Meer wist ze niet. Ik ging op zoek en kwam uiteindelijk uit bij de website van het Boeddhistisch Dagblad. Daar schreef Pijls — oud-journalist, columnist, blogger, fotograaf, dichter, zenboeddhist, anarchist, invalide en dakloze — een column. In de recentste bijdrage die ik van hem vond, kondigde hij zijn dood aan:
‘Momenteel woon ik in een prefab huisje achter de daklozenopvang in Roermond. Ik mag er vier weken blijven. Ook vandaag heb ik mijn straatverpleegkundigen laten weten dat ik actieve euthanasie wil. Vorige week kreeg ik in het plaatselijke Laurentiusziekenhuis te horen dat mijn hele rechterbovenbeen geamputeerd moet worden. De vaatchirurg deelde ook mee dat hij die ingreep niet gaat uitvoeren. Dat moet het ziekenhuis in Venlo maar doen, zei hij. Maar ook Venlo gaat die amputatie niet uitvoeren. Ik ben 61, ik rook nog steeds. Ik zou de operatie niet eens overleven. Dus binnen zes weken zal ik sterven aan actieve euthanasie, waarschijnlijk in een hospice.’
Met Peter had ik voor het laatst contact in 2024, toen hij me in een mail vroeg of ik iemand efedrine had aangeboden in ruil voor een hack van zijn Gmail-account. In een naschrift vroeg hij of ik Lysa Lyon een mokkel vond. De naam Lysa Lyon — een pionier van het vrouwenbodybuilding — kende ik. De naam van het meisje dat ik volgens hem drugs had aangeboden niet. Ik antwoordde Peter, niet voor de eerste keer, dat hij hulp moest zoeken en dat ik niet wijs werd uit zijn mails. Daarop stuurde hij me een nieuwe mail met de vraag wie mijn psychiater was. Ik vermoedde dat Peter was gestopt met het nemen van medicijnen en weer dronk en drugs nam. Uiteindelijk blokten we elkaar op sociale media. Ik was daar niet trots op, maar ik wist niet beter meer. Twee jaar eerder zette hij al op LinkedIn en Twitter onder berichten van mij reacties waarin ik er onder andere van werd beschuldigd samen met verpleegkundigen te werken aan een plan om hem de dood in te jagen. Het beste, dacht ik toen, was hem te laten uitrazen. Maar nu kroop het onder mijn huid. Op Facebook keek ik af en toe en zag ik hoe hij bijna dagelijks selfies plaatste om, zo leek het, zijn lichamelijke en geestelijke aftakeling te documenteren. Dat was vreselijk, vooral omdat ik in 2014 een groot verhaal over hem schreef voor de krant. Ik geloofde toen dat hij met een grandioze comeback uit de wereld van de demonen bezig was. Ik was en ben nog steeds een sucker als het gaat om wederopstandingen. Ali-Foreman. Odysseus. Jezus. You name it. Hier een paar fragmenten uit dat verhaal:
Peter werkte in 2000 voor de krant waar ik ook redacteur was. Hij was een begaafde journalist. Mooie pen, goede luisteraar. Grote kennis van muziek en literatuur, kenner van het werk van Gerard Reve. We deelden een paar obscure interesses, zoals het leven van de Japanse schrijver Yukio Mishima, Hagakure (het boek van de samoerai) en boksen. We hadden, herinner ik me vaag, plannen om samen op boksles te gaan. Dat was een idee dat hem, zo liet hij me weten, koortsdromen bezorgde. Een paar keer heb ik gedacht dat we dat hadden moeten doen. Had ik hem zo kunnen redden?
Later zou hij met een Japanse vrouw trouwen, met wie hij ook een kind, een zoon, kreeg. Een paar lang was ik zijn chef op de binnen- en buitenlandredactie. Peter kon af en toe van de radar verdwijnen. Hij was dan weliswaar in dezelfde ruimte, maar dook weg achter een oosterse glimlach. Er is iets met die jongen, zei een collega in die tijd tegen me. Met wie niet, dacht ik toen. Toen Peter zijn baan bij de krant opzegde voor een aanvankelijk zeer succesvol freelancebestaan in de Randstad, verloor ik hem uit het oog. Totdat hij me een paar jaar later mailde en ik zijn blogs begon te lezen. Het was duidelijk dat Icarus zwaar was gecrasht in Amsterdam.
Het was onvermijdelijk dat we met elkaar gingen praten. Hij had me een verhaal gestuurd (Een heropstanding uit het ondergrondse). Geen zielig verhaal. Er viel zelfs wat te lachen. De stijl was als vanouds: sierlijk, vol ironische distantie en soms zo scherp als een zwaard.
Van de fles was ik nooit vies geweest. Opgegroeid in een boerenmilieu waar de jenever nimmer ver weg was, had ik geen enkele negatieve associatie met alcohol. Ik zag het vooral als een effectief middel om mijn verlegenheid te laten verdampen. De meisjes hebben het gemerkt. In militaire dienst ontdekte ik de geneugten van de hasj. En rond mijn 30ste werd ik ingewijd in de euforische gelukzaligheid van xtc. Die drie middelen — de alcohol, de hasj en de xtc — werden mijn raketbrandstof voor een groots en meeslepend leven. En ik zag er geen enkel kwaad in, want die cocktail van middelen liet me niet zelden opstijgen boven mezelf. En dat was precies wat ik wilde.
We spraken elkaar in de beschermde woonvorm in Venray, waar hij toen leefde. Zijn commandocentrum bestond uit een kamer met een bed, een rolstoel, een laptop en wat kleding. Er lagen een paar boeken („ik heb ze allemaal aan mijn zoon gegeven”) en er hing een afbeelding van de heilige Japanse berg Fuji aan de muur.
Hij sprak over zichzelf zoals hij ook blogde over zichzelf: heel precies formulerend, met zelfspot, zonder gebruik van uitroeptekens en al helemaal ontbloot van beroepen op medelijden. Hij had nog steeds de bijna lichtgevende ogen die ik me herinnerde van vroeger en de licht spottende lach waarmee hij zinnen eindigde waarin hij zichzelf recenseerde.
„Ik zit hier niet alleen voor mezelf. Ik weet dat er veel mensen zijn die nog niet in behandeling zijn, maar wel psychiatrische stoornissen hebben. Ze zijn bijvoorbeeld depressief en proberen dat weg te drinken of te blowen. Ze medicaliseren zichzelf. Ik deed dat ook. Uiteindelijk ga je alcohol als medicijn inzetten en dan komt er een dag dat je niet meer kunt stoppen. Ik heb dat gedaan totdat mijn vrouw de knoop doorhakte en het huwelijk beëindigde. Een verslaving kan een stoornis verergeren en vice versa.
Ik heb, weet ik nu, vanaf mijn twintigste manisch-depressieve symptomen gehad, variërend van depressies tot hypomanie (een lichte vorm van manie die zich kan uiten in hyperactiviteit of overmatige vreugde). Ik heb twee keer een psychose gehad. Er was niets aan me te zien, uiterlijk. Ik ging gewoon naar mijn werk. ‘s Avonds zat ik als een bang vogeltje op de bank visioenen te aanschouwen. Stemmen in je hoofd, soms vijf tegelijk, die zeiden dat je God was of dat je je moest ophangen. Daarvoor wist ik lange tijd niet wat er aan de hand was; ik had geen diagnose en ook geen ziekte-inzicht. Dat laatste is pas gekomen in 2008, toen ik heel zwaar manisch ben geweest, gekke dingen heb gedaan en op ontoelaatbare wijze heb gecommuniceerd met mensen, vooral via e-mails. Ik heb twee talenten die voor een groot deel genetisch bepaald zijn: een talent voor stoornissen en een talent voor verslaving.”
Waar lagen de wortels van mijn stoornis en de verslaving? In mijn jeugd op de boerderij in Buggenum? In het DNA van mijn familie? In mijn latere credo om groots en meeslepend te leven? In mijn huwelijk met een even militant-feministische als ambitieuze Japanse schoonheid? (…) Ik moest 47 worden om de kroniek van een aangekondigde collaps te kunnen lezen. Hoe ik niet zomaar een journalist wilde worden, maar een topper. Hoe ik het tot mijn levensdoel had verheven om ondanks een psychiatrische stoornis de bliksemcarrière van mijn vrouw te faciliteren, en tegelijkertijd een modelvader te zijn. Uiteraard haalde ik die krankzinnige combinatie van ambities niet. Ik begon mezelf te haten om mijn nederlaag. En ik besloot mezelf te vernietigen met alcohol, de ergste sloper van alle harddrugs.
„In 2008 begon ik me af te vragen of er iets aan de hand zou kunnen zijn met me. Ik ben me er toen in gaan verdiepen. Ik heb bijvoorbeeld een paar onlinetests gedaan waaruit bleek dat ik zwaar manisch was en psychiatrische hulp nodig had. Pas een tijd later heb ik me langdurig laten behandelen in Venray. Daar zijn verslaving en stoornis uit elkaar getrokken.
Ik ben op het juiste moment twee integere en deskundige psychiaters tegengekomen die me een spiegel hebben voorgehouden. Zij hebben me zover gekregen dat ik medicatie ging nemen. Ik ben een kritische patiënt. Ik geloof niet dat pillen kunnen genezen, hoogstens symptomen kunnen onderdrukken. En soms doen ze dat niet eens, maar hebben ze moordende bijwerkingen. Daar wordt onvoldoende tegen gewaarschuwd. Psychiaters zijn volstrekt anoniem, terwijl ze enorm ingrijpen in de levens van mensen. Ik mis transparantie. Ik volg Bram Bakker, de psychiater die zeer kritisch is op de eigen beroepsgroep en om die reden ook wordt uitgekotst door zijn collega’s. Dankzij hem zijn er ook steeds meer patiënten die het heft in eigen handen nemen en zich niet willoos afhankelijk maken van een diagnose of tablet of therapie.”
Ik kwam weer bij bewustzijn op de psychiatrische afdeling van het ziekenhuis in Roermond. De nacht nadat ik thuis in Amsterdam vertrok met de belofte dat ik nooit meer terug zou keren, kreeg ik twee keer een onttrekkingsinsult. Dat is een epileptische aanval die kan optreden als een verslaafde plotseling stopt met zwaar drinken. In mijn geval 25 blikjes bier per dag of 2 flessen port. Het gebeurde bij mijn oudste zus thuis. Ze dacht dat ik doodging en belde een ambulance (…).
„Ik heb ruim twee jaar niet kunnen werken. Ik raakte door mijn verslaving en stoornis mijn vaste opdrachtgever kwijt. Het schrijven van blogs is voor mij een therapie. Ik schrijf ze bewust voor internet, omdat het een bepaalde vluchtigheid heeft en omdat je een groot bereik hebt. Ik kan zo dingen van me afschrijven. Als ik iets benoem in een tekst, dan ben ik het kwijt.”
Maar op een dag vond ik mezelf terug in de behandelkamer van de verslavingsarts, met een ontstoken grote teen. Een paar weken later vertelde een chirurg in het ziekenhuis me dat die ontsteking werd veroorzaakt door hopeloze bloedvatenvernauwing in het rechteronderbeen. Alleen een gewaagde bypassoperatie kon het been redden. Maar de operatie mislukte en mei vorig jaar werd het onderbeen geamputeerd. Tot mijn opluchting overigens, want de weken daarvoor + ik van de pijn door afstervende tenen (…) Binnen vier maanden zou ik met een onderbeenprothese weer lopen als een kievit, was de prognose. Maar in de kliniek bleek al snel dat ook de bloedvaten in mijn linkeronderbeen onherstelbaar dichtzaten. November vorig jaar werd ook dat onderbeen er afgezaagd. Ik was ingehaald door een andere verslaving: nicotine. „Je hebt je onderbenen opgerookt”, vatte een vaatchirurg de kwestie droog samen.
„Als je na een verslaving of een psychiatrische stoornis in een periode van herstel komt, heb je een stokpaardje nodig. Bij mij is dat schrijven. En je hebt betrouwbare vrienden en vriendinnen nodig die je een spiegel kunnen voorhouden. Ik heb ook vrienden verloren. Voor hen was het kennelijk te veel om te verhapstukken: verslaving, drank en benen weg. Ik kan nu vanuit helikopterperspectief naar mezelf kijken. Dat proces begon al in de kliniek. Je leert rationeel te kijken naar de vraag hoe het zo ver is kunnen komen. De verslaving is voor zo’n 80 procent uit mijn systeem verdwenen, maar ik heb nog weleens flashbacks, herbelevingen. En ik merk dat ik nog een fixatie heb op alcohol. Als ik bijvoorbeeld in de supermarkt ben, ga ik erop letten hoeveel drank mensen afrekenen en dan bestudeer ik hun gezichten om te zien of het alcoholisten zijn. Die haal ik er namelijk altijd uit. Ik rook wel nog, als een ketter. Je kunt niet meer dan één verslaving tegelijk afleren. Ik heb altijd veel gesport. Halve marathons, Kennedymars. Nu is mijn doelstelling: hoe vergroot ik mijn actieradius? Hoe ver kom ik op mijn protheses? Hoe ver kom ik met de rolstoel? Dat bouw ik elke dag iets verder uit. Ik wil niet zielig gevonden worden, want ik ben niet zielig.”
“Na 10 maanden revalidatie loop ik weer als een hinde. Vrijwel niemand ziet dat ik onderbeenprotheses heb. Met mijn ex-vrouw heb ik een acceptabel contact: we zien de even wurgende als kansloze omhelzing die ons huwelijk was. Mijn zoon van 13 is gewoon blij dat hij zijn vader terug heeft. Maar ik ben niet uit de gevarenzone. Een verslaving kan levenslang gluren op een kans om weer toe te slaan. De Icarus in mij is nog niet tot zwijgen gebracht. Nog steeds wil hij opstijgen, maar dan gecontroleerd. Ik heb geen geheimen meer voor mezelf. De krochten van mijn onderbewustzijn zijn heel ver opengegaan en alles waar een mens mee rondloopt, van onderdrukte herinneringen tot minderwaardigheidsgevoelens, komt explosief tevoorschijn. Het is in zekere zin ook een grote schoonmaak geweest, vooral die psychoses. Ik voel me nu goed, lichamelijk en geestelijk. Beter dan ooit tevoren, eigenlijk. En dat komt niet ondanks wat ik heb meegemaakt, maar doordat ik het heb meegemaakt. Ik heb dingen verloren, maar waardeer veel meer wat ik over heb en erbij heb gekregen: inzicht en begrip. Niet alleen voor mezelf, maar ook voor anderen.”
Bij het verhaal in de krant staat een foto van Peter die is genomen in een supermarkt. Hij staat, een beetje stoer en uitdagend, voor een wand met kratten bier. Onder zijn opgerolde broekspijpen zie je zijn protheses. Die setting is een idee van hemzelf. Hij vindt het wel humoristisch. Peter is blij met het verhaal. Later, als de demonen weer bezit nemen van hem, noemt hij mij online de auteur van “een niet onaardig” verhaal over hem. In journalistenland is dat geheimtaal voor een kloteverhaal. Ik weet dat hij het niet meent, maar het doet toch zeer. Maar in 2014 zijn we een paar weken lang een team. Ik ben de oude Rocky Balboa en hij de zoon van Apollo Creed, die zijn vader wil wreken. Ik ben in die tijd fanatiek bezig met het mixen van muziek. Ik heb een saxofoonsolo van de Italiaanse jazzmusicus Sandro Marinoni met diens toestemming voorzien van een ambient-achtige achtergrond die ik zelf speel op synthesizer, drummachine en gitaar. Ik vraag Peter of hij wil collaboreren. Hij suggereert niet alleen de titel Burning in Water, Drowning in Flame (een verwijzing naar een poëziebundel van Charles Bukowski), maar spreekt ook een paar zinnen in die door de track worden gemixt. Hij vindt het eindresultaat mooi en deelt het met zijn zoon en een musicus die hij kent.
Daarna wordt het stil. Totdat de gekke mails en complotverhalen arriveren en we elkaar uiteindelijk het zwijgen opleggen.


Geef een reactie