In de vorige column schreven we over de overlever: het deel in ons dat bescherming organiseert zodra het leven te spannend, te pijnlijk of te onveilig voelt.
Die overlever is niet onze vijand. Meestal is hij ontstaan uit noodzaak. Hij probeerde ons overeind te houden op momenten waarop we niet beschermd werden en we als kind zelf moesten zorgen voor waardering en verbinding met onze opvoeders.
Maar wat gebeurt er wanneer die aangeleerde vorm van bescherming niet langer alles hoeft te bepalen? Wanneer we als volwassene niet meer hoeven te werken voor erkenning uit onze omgeving?
Dan ontstaat er iets wat veel mensen nauwelijks nog kennen, of alleen in flarden ervaren: ruimte.
Ruimte om te voelen wat we voelen, zonder ervan weg te hoeven.
Ruimte om aanwezig te blijven wanneer het spannend wordt.
Ruimte om niet onmiddellijk in aanpassing, controle, terugtrekking of verzet te schieten.
Die ruimte ontstaat niet vanzelf. En meestal ook niet doordat we hard aan onszelf werken.
Vaak begint het met iets kleins: opmerken.
O, daar is weer die spanning.
Daar is weer de neiging om me in te houden.
Daar is weer dat deel dat alles wil controleren.
Daar is weer de angst om afgewezen te worden, of het verlangen om het goed te doen.
Zodra we dit kunnen zien zonder onszelf meteen te veroordelen, en met de bereidheid om onszelf werkelijk te begrijpen, verandert er iets wezenlijks.
We vallen niet langer volledig samen met onze reactie. Er ontstaat ruimte — een beetje licht — tussen wie we zijn en wat we automatisch doen.
Vanuit boeddhistisch perspectief is dat een belangrijk moment. Aandacht is hier geen techniek om onszelf te verbeteren of te corrigeren, maar een vriendelijke manier van wakker worden. We leren niet alleen onze onrust kennen, maar ook de zachtheid die mogelijk wordt wanneer we die onrust niet langer bevechten.
In ons boek noemen we de plek van waaruit dit mogelijk wordt de interne volwassene. Niet als een streng deel dat alles moet oplossen, maar als een innerlijke aanwezigheid die kan dragen, luisteren en onderscheiden.
De interne volwassene hoeft de overlever niet te vernietigen. Ook hoeft hij hem niet te overheersen. Eerder probeert hij hem gerust te stellen en te begrijpen waarom hij doet wat hij doet.
Alsof er vanbinnen langzaam iets verschuift van:
ik moet dit alleen oplossen,
naar:
ik ben er, ik luister — je hoeft het niet meer alleen te doen.
De interne volwassene wordt als het ware de nieuwe ouder: iemand die ziet, begrijpt en zorg draagt voor zowel het authentieke deel als de overlever.
Misschien is dat wel een van de diepste vormen van heling: dat de beschermende delen in ons ervaren dat er eindelijk iemand aanwezig is die niet schrikt, niet wegloopt en niet veroordeelt.
En juist daar kan ook het authentieke deel zich weer laten zien. Niet als een groot gebaar. Niet als een ideaalbeeld. Maar eenvoudig, als iets levends:
een verlangen,
een traan,
een grens,
een gevoel van opluchting,
een klein moment van vrijheid.
Misschien is dat wat het betekent om onderweg te zijn. Niet dat alles is opgelost. Niet dat bescherming nooit meer nodig is. Maar dat we gaandeweg leren leven met meer aandacht, meer mildheid en meer innerlijke ruimte.
En misschien ontdekken we juist dan opnieuw: er is niets mis met ons. Er is vooral een weg in ons zichtbaar geworden — van overleven naar werkelijk leven.
Gebaseerd op het boek Er is niets mis met mij. Ik ben onderweg van Luuk Mur en Rob van Boven.
Wie wil, kan de vragen uit dit boek verder verkennen in gesprek met ChatGPT. Gebruik daarvoor de code [IKBENONDERWEG_LR].


Geef een reactie