Het boek Terug naar het Binnenhof van politiek historicus Carla Hoetink gaat over de problematische terugkeer van de Tweede Kamer van 1937 in de periode 1945-1946. Haar kiezersmandaat was in 1941 verlopen, maar het Tijdelijke en latere Voorlopige Staten-Generaal ‘ontwaakte als Doornroosje’ en heroverde haar grondwettelijke rechten. Dit artikel geeft een schets van de inhoud van dit belangrijke en prachtig uitgegeven jubileumboek.
De bruter en gewelddadiger wordende nazidictatuur gaf een extra impuls aan de strijd om het herstel van de parlementaire democratie. Hoe en wanneer onze Staten-Generaal weer aan het werk zou gaan was nog onduidelijk tegen het einde van de oorlog. Maar wat dan wel, hoe en wanneer? Deze vragen werden gesteld in het Londen van de regering in ballingschap, in onder- en bovengronds Nederland en in het Sint-Michielgestel van een geïnterneerde elite.
Vragen
De laatste Tweede Kamer was in 1937 verkozen en in 1941 was haar zittingsperiode verstreken. Wie of wat vertegenwoordigde deze Tweede Kamer dan nog? Er waren meer lastige vragen, zoals: hoe moeten de vertegenwoordigende organen worden ‘gevuld’? Weer een andere vraag was: wanneer zijn er parlementsverkiezingen: meteen of na een bezinningsperiode?
Vooral in de eerste oorlogsjaren verweten velen dat het parlementaire stelsel had gefaald. Daarom pleitten een aantal politieke figuren voor een verandering van de taak van de volksvertegenwoordiging en zij gingen hierbij verder dan hun ideeën in de crisisjaren. Sommigen verkozen versterking van de uitvoerende macht ten koste van het parlement. De politicus van de RKSP (later KVP) Carl Romme kwam met ‘een corporatistische staatsinrichting uit tot een plan voor een volksvertegenwoordiging die via standen en maatschappelijke groeperingen werd gekozen’, Hoetink bladzijde 15. Sociaal-democratische Tweede Kamerleden bleven dichter bij het bestaande parlementaire systeem, de volksvertegenwoordiging moest het fundament zijn van de staatsinrichting.
Noodverband
In Londen leek er eind 1941 een kabinetsmeerderheid te zijn voor herstel van gezag en meer regeringsslagkracht. De een vond dit noodzakelijk, maar de ander ‘al te snel autoritair gedacht’. Toen de bevrijding dichterbij kwam, speelde het herstel van de democratie een grotere rol. Vanaf herfst 1943 groeide het idee om na de bevrijding een tijdelijk parlement bijeen te roepen tot er nieuwe verkiezingen zouden plaatsvinden. Het zou een synthese moeten zijn van vroegere Kamerleden met een onberispelijke staat van dienst én met nieuwe leden uit de illegaliteit die het vertrouwen hadden van de bevolking. Koningin Wilhelmina hield vast aan haar mening dat de toekomstige staatsinrichting afhankelijk moest zijn van ‘de stemming in bevrijd Nederland’.
Het onderwerp kwam op het bordje te liggen van het koninklijk kabinet Schermerhorn-Drees (25 juni 1945-3 juli 1946). Op 2 augustus kwam dit noodkabinet met een regeling waardoor de Staten-Generaal stap voor stap terugkeerde. Een rompparlement van de nog in leven zijnde Eerste en Tweede Kamerleden van voor 1940 zou worden bijeengeroepen. Dit voor zover ze niet hadden bedankt of moesten worden uitgesloten vanwege hun oorlogsdaden. Deze ‘Tijdelijke Staten-Generaal’ had uitsluitend de opdracht en de bevoegdheid om te beslissen over een nader wetsontwerp om te komen tot een voltallige Staten-Generaal, samen te stellen uit de oude Kamers en aangevuld met nieuwe leden. Tot aan de eerste verkiezingen zou deze ‘Voorlopige Staten-Generaal’ dan als volwaardig noodparlement functioneren. De verkiezingen waren voorzien voor juni 1946, eerder leek door allerlei problemen onmogelijk, bladzijde 17.
Deze provisorische volksvertegenwoordiging zou het noodkabinet een democratisch stempel geven en wettigheid aan het vrij willekeurig zuiveren en het aanvullen van de Tijdelijke Staten-Generaal. Ondanks de heersende opvatting dat de in 1937 verkozen Kamerleden hun mandaat hadden verloren en maar één taak kregen, keerden deze oudgedienden als eersten terug in de vergaderzaal. Deze werkelijkheid en hun optreden zouden doorwerken in het herstel van de democratische instituties, maar tot dit inzicht kwamen de oudgedienden pas later, aldus de auteur.
Vier en een halve maand na de bevrijding eindigde op 25 september 1945 de periode zonder parlement. Het koninklijke kabinet Schermerhorn-Drees zag dit tijdelijke parlement niet als een grondwettelijke volksvertegenwoordiging.
Hoetink verwijst naar de literatuur over deze periode 1945-1946 waaruit blijkt dat het bestuurlijk en wetgevend initiatief volledig bij het kabinet lag, dat maximaal gebruik maakte van het staatsnoodrecht. Een deel van het kabinet wenste dat dit ook het geval zou zijn voor het aangevulde parlement. Discussie tussen ministers met en zonder parlementaire ervaring was nodig voordat het kabinet besloot dat het voorlopige parlement inclusief de afgesproken bevoegdheden haar werk kon doen, met uitzondering van grondwetswijzigingen. De vraag was hoe dit in de praktijk zou uitpakken.
Voorlopige Staten-Generaal
Uiteindelijk ging in september 1945 de Tijdelijke Tweede Kamer met de regeling akkoord voor de Voorlopige Staten-Generaal, zij het met stevige kritiek. Kamerlid Laurent Deckers van de RKSP bijvoorbeeld viel het kabinet hard aan. In dit kabinet zaten ook partijgenoten. Hij stelde dat de regering zich bediende van ‘de Duitsche methodes, die wij vijf jaar lang hebben leeren verfoeien.’ De ARP bleef zich principieel verzetten en hield vol dat de regeling ongrondwettig was. Ze wenste ‘onverwijlde terugkeer naar de parlementaire organisatie van 1937 en snelle verkiezingen.’
De vernieuwers hadden de komst van het (tijdelijke) parlement al eerder ongunstig ontvangen. De terugkeer van de 76 leden van de Tweede Kamer en de 34 van de Eerste Kamer waren volgens hen het toonbeeld van het oude bestel. Het weekblad van de NVB rekende voor dat in de Eerste Kamer het oudste lid 86 jaar was en de gemiddelde leeftijd van de senatoren 64. De jongste leden waren 54 jaar, Bank bladzijde 223.
De invloed van de Kamerleden uit 1937 op de normalisering van het parlement bleek groot, meer dan tijdens de bezetting de bedoeling was, constateert Hoetink. Dit ging ten koste van het verzet, dat gezien de sterk levende idealen in dit proces juist een prominente rol had moeten vervullen. Het oude parlement had meer dan de bedoeling was een grote stem in de personele samenstelling van het terugkerende parlement.
Het kabinet had een ingewikkelde benoemingsprocedure opgesteld voor de Voorlopige Staten-Generaal, waarin de oude politiek en nieuwe, voormalige ondergrondse maatschappelijke stromingen met belangrijke nieuwe ideeën een stem hadden. Samen moesten zij een lijst geschikte kandidatenlijst samenstellen. Na een stevige discussie in de Tweede Kamer en enkele concessies van de regering ging men akkoord. De Eerste Kamer volgde daarna snel. Met name de ARP bleef zich verzetten.
Nieuw en fris
De vertegenwoordigde partijen waren zich ervan bewust dat ze niet zomaar konden terugvallen op de kandidatenlijsten van 1937. Ze moesten met ‘nieuwe’ en ‘frisse’ figuren komen, ‘liefst personen die zich tijdens de bezetting positief hadden onderscheiden’, bladzijde 126. Ook de protestantse partijen ARP en CHU kwamen met partijleden met een achtergrond van illegaliteit of van het verzet. De NSB-zetels vielen niet toe aan de bestaande fracties, maar aan partijloze vertegenwoordigers van de illegaliteit waaronder Parool-oprichter Frans Goedhart, verzetsnaam: Pieter ’t Hoen. Op bladzijde 129 staat de lijst van de op 20 november 1945 benoemde leden. De Prinsjesdag van 20 november 1945 was sober.
Eind september 1945 begon de ‘parlementaire carrousel’ langzaam maar zeker weer te draaien. Veel inhoudelijk resultaat werd niet bereikt, maar dankzij de parlementaire instrumenten kwam er enigszins beweging in. Door het volgen van de eigen routines en door overleg af te dwingen had de Tweede Kamer gezag. Haar optreden werkte als een self-fulfilling prophecy aldus auteur Hoetink. ‘Door zich te gedragen als een legitiem parlement zou het in de loop van de tijd ook daadwerkelijk zo beschouwd worden’, bladzijde 35.
Normalisatie
Onder de kop De terugkeer van de Tweede Kamer als ijkpunt van normalisatie, bladzijde 44 tot en met 47, gaat de auteur in op verklaringen voor de terugkeer naar de oude parlementaire orde. Boven alles kreeg de wederopbouw voorrang. In dit korte artikel staan enkele voorbeelden hiervan. Als eerste geeft ze aan dat de Kamerleden die, net als alle burgers, hun leven weer op orde wilden krijgen, te maken hadden met de puinhopen rondom hen heen. Denk aan voedseltekorten en de vernielde panden. Dit moet ontnuchterend hebben gewerkt om de in gevangenschap en de studeerkamer bedachte vernieuwingen na de bevrijding uit te voeren. De werkelijkheid van het herstel, de voortdurende oorlog met Japan en de strijd in Indonesië hadden voorrang op staatkundige vernieuwing. De politieke elite had de handen vol aan de zuivering, de terugkeer van het partijkader en aan het herstel van het contact met de achterban. Dan speelde ook nog de (her)oprichting van de partijorganisaties.
Hoetink stelt als verklaring voor het onbenut blijven van het momentum voor vernieuwing dat het parlementaire zelfbewustzijn veronachtzaamd is. De teruggekeerde generatie Kamerleden van 1937 was vergroeid met de regels, instrumenten en handelingen die voorheen legitiem werden beschouwd. ‘Het parlement zelf was als instituut, als personificatie bijna, representatief’, bladzijde 45. Als partijen hun idealen wilden realiseren dan moest dit verlopen via het Binnenhof, werd al snel duidelijk na de bevrijding. Wenste de burger staatkundige verandering, dan moest dit eerst maar eens blijken uit verkiezingen. In 1945-1946 bleek het hoogst haalbare de terugkeer van een parlement.
Een half jaar na de bevrijding kon er weer gesproken worden van een volwaardige Tweede Kamer. Anders dan de Tijdelijke had de Voorlopige Tweede Kamer alle grondwettelijke rechten en het kabinet had weer een volwaardige tegenspeler. Op 16 mei 1946 werd de regulier verkozen Tweede Kamer geïnstalleerd, waarmee de normale staatkundige en democratische verhoudingen waren hersteld.
Opmerking
Het jubileumboek 1945 Terug naar het Binnenhof beschrijft niet alleen de terugkeer van het parlement en een aantal hoofdrolspelers met foto. Het bevat hiernaast een beeldverhaal met historische foto’s van kamermedewerkers en een aantal spotprenten uit deze periode, zoals van Marten Toonder uit het tegendraadse Metro.

