Soms is het leven heel eenvoudig: je zit rustig te eten, je telefoon pingt, en ineens staat je hele systeem ‘aan’. Schouders omhoog, ademhaling versneld, gedachten klaar om in actie te komen. Alsof er een onzichtbare knop wordt omgezet: nu opletten.
Wat er dan gebeurt, herkennen we allemaal. Je gaat harder je best doen: uitleggen, oplossen, regelen. Of juist het tegenovergestelde: je klapt dicht, wordt vlak, verliest jezelf in eindeloos scrollen of verdwijnt in ‘drukte’.
In boeddhistische termen: je aandacht vernauwt en je hart wordt minder ruim. In psychologische termen: je stresssysteem wordt geactiveerd.
Maar wat als we dit niet moreel (“ik faal”) of uitsluitend klinisch (“ik heb stress”) bekijken, maar als iets heel menselijks? Als een intern systeem dat simpelweg probeert te overleven?
Vier krachten onder één dak
We dragen allemaal een soort intern gezin in ons mee. Binnenin ons zijn grofweg vier krachten te herkennen. Geen diagnoses, maar functies:
- Het Authentieke Kind – de levendige kern: gevoel, behoefte, speelsheid, verlangen naar verbinding, en de drang tot ontwikkeling.
- De Strateeg – plant, begrenst, organiseert, en dient idealiter wat in ons leeft.
- De Overlever – de noodmodus. Bij overbelasting neemt hij het stuur over: controleren, vermijden, verdoven, aanvallen – alles om pijn te vermijden.
- De Volwassene – de dragende leider. Niet hard, maar ruimhartig: in staat om spanning te dragen zonder te vernauwen, en zorgt voor samenwerking tussen de delen.
Als het goed gaat, werkt het ongeveer zo: het Kind mag voelen en bestaan, de Strateeg ondersteunt op een gezond tempo, en de Volwassene houdt het geheel bij elkaar.
Vaak groeit die Volwassene vanzelf wanneer we genoeg co-regulatie hebben ervaren: iemand die meebeweegt, kalmeert en laat voelen: je mag er zijn. En als die groei ooit is onderbroken – door omstandigheden, niet door schuld – kan hij later alsnog steviger verschijnen.
Het echte probleem is niet de pijn
Veel van ons lijden zit niet in de pijn zelf, maar in het moment waarop de Overlever de controle overneemt.
De Overlever heeft ooit geleerd: pijn is niet alleen pijnlijk, maar ook eenzaam en machteloos. Alsof die gevoelens onlosmakelijk met pijn verbonden zijn. Dus zodra iets pijnlijks opduikt, trekt hij conclusies: dit moet weg, dit moet nú opgelost, dit mag ik niet voelen. Hij vernauwt de aandacht, spant het lichaam aan en duwt het Authentieke Kind naar de achtergrond.
En achteraf zeggen we: “Ik was mezelf niet.”
Vaak bedoelen we dan: ik was niet meer in contact met wat leeft – en niet meer in contact met mijn Volwassene.
Waarom herkennen zo lastig is
Als je zenuwstelsel in de freeze-stand staat, is openheid niet meteen beschikbaar. En als je zenuwstelsel juist hoog geactiveerd is, ben je wel alert, maar beperkt. Dan is de eerste stap niet ‘meer inzicht’, maar draagkracht: een Volwassene die aanwezig is.
Dat is geen tegenstelling met boeddhistische wijsheid, maar juist de juiste volgorde:
lichaam → Volwassene → herkennen
- Maak het platform vriendelijk (lichaam / veiligheid)
Warmte. Ritme. Je voeten voelen. Iets drinken. Even naar buiten. Een hand op je borst.
Niet om stress weg te nemen, maar om je systeem te laten weten: het is nu veilig genoeg.
- Laat de Volwassene het stuur nemen (interne samenwerking)
Niet door de Overlever te bevechten, maar door hem te erkennen:
- Overlever: “Dank je. Ik ben er nu.”
- Strateeg: “Het tempo is goed zo.”
- Kind: “Ik blijf bij je.”
- En dán: herkennen (zakformaat)
Heel kort opmerken: er loopt een verhaal – en er niet automatisch instappen.
Met andere woorden: eerst stabiliseren, dan pas zien wat er speelt. En dat ‘zien’ hoeft maar een klein oh ja te zijn.
De rol van compassie
Compassie is niet zoet; het is regulatie. Het is de toon waarop de Overlever zijn wapens neerlegt, omdat hij voelt: ik hoef dit niet meer alleen te dragen.
Metta en mededogen zijn dan geen extraatjes, maar sleuteltechnieken.
Een kleine oefening
Als je merkt dat je gespannen raakt (door een mail, gesprek, verkeer of familie):
- Voel één sensatie: voeten, ademhaling, stoel, warmte.
- Noem zachtjes: “Ah, Overlever.” (En als labelen niet lukt: blijf bij de sensatie.)
- Zeg: “Ik ben er. Ik kan dit dragen.”
- Herinner de Strateeg: “Het tempo is goed.”
- Ontspan één millimeter – in je gezicht, kaken of buik.
- Kijk opnieuw – ruimer. Niet perfect. Ruimer.
Elke keer dat je beweegt van reactiviteit naar één seconde ruimte, wordt iets eenvoudigs waar:
Er is minder “ik moet dit fixen” en iets meer “dit mag er zijn”.
Je telefoon pingt misschien nog steeds – maar jij bent er weer.
In die verschuiving schuilt vrijheid.
Rob van Boven (1951) is psycholoog en geregistreerd psychotherapeut. Hij was consultant voor verschillende organisaties (drugs en verslaving counseling, vaardigheden workshops) en werkte vijftien jaar als een behandelingscoördinator in een psychiatrische instelling. Bij Rob van Boven wordt het geloof van de overlever bewust gemaakt en een juiste plaats gegeven. Het doel is om los te komen van de dwang van het geloof en bewustzijn te ontwikkelen naast deze denk- en voelpatronen. Hoe meer je van het geloof van de overlever bevrijd bent, zonder het te bestrijden, maar door het de juiste plek te geven, hoe vrijer je kan leven.
Luuk Mur ( 1952) is psycholoog en heeft een drietal boeken geschreven over de door hemzelf ontwikkelde hulpverleningsmethode communitysupport. Hij is lid van de Dzogchen Community Nederland. Dzogchen is een vorm van Tibetaans boeddhisme waarbij veel belang wordt gehecht aan de ontwikkeling van individueel bewustzijn. Bij deze traditie streeft men naar non-dualiteit van het bewustzijn. Mensen zijn zich niet alleen bewust ( je weet dat je dit leest), maar je kunt je ook bewust zijn van dit eerste bewustzijn. Dit meta-bewustzijn wordt ‘gewaarzijn’ genoemd.


Siebe zegt
Naar mijn mening: Iedereen is vanaf de geboorte in nood-modus, behoeftig, verlangend, hunkerend naar dit en dat. Vanaf de geboorte zoekt elke mens naar voedende geluksmomenten om die nood te verzachten, jazeker vooral ook baby’s en kinderen al.
Die hebben al de nood aan fysiek contact, genegenheid, liefde, zorg etc. We hebben allemaal heel hard dit en dat nodig, en veel meer dan alleen eten en drinken
De ultieme slaap is dat je niet meer in nood verkeert. Dat lijkt alleen maar zo omdat je alles hebt wat je hartje begeert. Maar ga maar eens naar een onbewoond eiland en kijk dan nog maar eens wat er eigenlijk waar van is dat je niet in nood verkeert.
Het leven met alles wat je hartje begeert, een volle koelkast, leuke partner, zinvol werkt, voldoende waardering en liefde van anderen…etc. wiegt ons gewoon in slaap en verdoezeld onze ware staat van enorme afhankelijkheid en interne nood.
Luuk Mur zegt
Siebe, dank voor je reactie — je wijst op iets essentieels: mensen (en zeker baby’s/kinderen) zijn vanaf het begin afhankelijk en hebben diepe behoeften aan contact, liefde en veiligheid.
Alleen: in onze column bedoelen we met Overlever/noodmodus iets anders dan “behoeftig zijn”. Behoefte en afhankelijkheid horen bij het Authentieke Kind: voelen, verlangen, verbinding zoeken, troost nodig hebben. Dat is niet pathologisch, dat is leven.
Met noodmodus bedoelen we de specifieke stress-stand waarin het systeem vernauwt (fight/flight/freeze): controleren, vermijden, verdoven, aanvallen of dichtklappen — juist omdat pijn/tekort dan niet meer draaglijk voelt. Het probleem zit dan niet in het feit dát er behoefte of pijn is, maar in het moment waarop de Overlever het stuur overneemt en het contact met draagkracht (de “Volwassene”) wegvalt.
Dus ja: afhankelijkheid is reëel. Maar “niet in nood zijn” is bij ons niet: alles hebben wat je hartje begeert. Het is: zelfs mét gemis, pijn of onzekerheid toch voldoende innerlijke ruimte en regulatie om niet automatisch in overleven te schieten.
(Als we “noodmodus” gelijkstellen aan “behoeften hebben”, dan is iedereen altijd in noodmodus en verliest het begrip zijn betekenis).
Siebe zegt
Bedankt voor jullie reactie. Die nood-modus wordt toch ook al actief bij een baby of heel jong kind dat niet die genegenheid, dat contact, die liefde, dat gevoel van veiligheid krijgt wat ze al bij geboorte broodnodig heeft? Die stress-modus wordt dan haar eigen dood zelfs.
Ik geloof dus dat die stress-modus niet pas begint op een bepaalde leeftijd. Het stress systeem is kennelijk een aangeboren systeem. En eigenlijk is dat constant actief, tenzij…tenzij er net als bij die baby iets tegenover staat dat inhiberend werkt zoals: liefde van anderen, waardering, je deel voelen van een groep , je beschermd voelen door je verzorgers, je gezien en gekend weten etc.
Als een soort waterbed effect.
Moet het stress-systeem niet van geboorte tot graf constant onder controle gehouden en gebracht worden? Doen we dat niet onbewust? Denken jullie niet dat als die condities verdwijnen die zorgen voor inhibitie van het stress systeem, je geen stress krijgt?
Bedankt dat jullie de moeite wilden nemen. Alle goeds,
Luuk mur zegt
Siebe, dank voor je nadere reactie — je raakt hier een belangrijk punt.
Ja: het stress-/overlevingssysteem is aangeboren en kan bij baby’s en jonge kinderen al heel vroeg “aan” gaan, zeker wanneer er te weinig veiligheid, nabijheid of voorspelbaarheid is. In die zin begint het niet pas op een bepaalde leeftijd.
Waar we wél een nuance willen aanbrengen: dat systeem is van nature bedoeld als een schakelaar, niet als een permanent aanstaande motor. Het mag activeren bij dreiging of tekort, maar het hoort ook weer te zakken wanneer er voldoende co-regulatie en veiligheid is (bij baby’s vooral via de verzorger: stem, aanraking, ritme, beschikbaarheid).
Verbinding, gezien worden, bescherming en waardering werken inderdaad remmend op stress. Het doel is daarom niet om het stresssysteem je hele leven “onder controle te houden” alsof stress per definitie fout is. Het doel is eerder flexibiliteit: dat je systeem kan opveren als het moet, én daarna weer kan herstellen.
In ons model betekent “Overlever/noodmodus” precies dit: het moment waarop het systeem zó geactiveerd raakt dat de Overlever de regie pakt. Dan vernauwt de aandacht (fight/flight/freeze) en valt het contact met ruimte en draagkracht weg. Bij een baby is die draagkracht vooral extern (de ouder die reguleert). Later kan — en moet — er ook intern iets groeien: wat wij de “Volwassene” noemen, het vermogen om spanning te dragen zonder meteen te vernauwen.
En je laatste punt: verdwijnen de remmende condities, krijg je dan stress? Vaak wel. Als steun, veiligheid of verbondenheid wegvalt, schiet het systeem sneller aan. Dat is niet vreemd; zo zijn we gebouwd. Alleen: met oefening, steun en soms therapie of meditatie kun je leren om sneller te herkennen wanneer de Overlever het stuur grijpt, milder te reageren, en makkelijker terug te keren naar regulatie — ook als omstandigheden niet ideaal zijn.
Kort gezegd: stress hoort bij het leven, maar vastzitten in overleven hoeft niet. Dáár zit voor ons de kern.
Alle goeds,
Luuk
Siebe zegt
Helemaal duidelijk, bedankt.
Om welke reden dan ook is onze activiteit vaak onheilzaam. Ook bij mensen in therapie weet ik als ex-client.
Je wordt niet beter als je niet eerst zo eerlijk en oprecht wordt te erkennen dat je best vaak agressief bent, vijandig, boos, ongeduldig, stug, lustig, veel te gretig, extreem etc. en zo de ellende over jezelf (en ook anderen) afroept
Dit erkennen, niet om jezelf te straffen of onderuit te halen, maar om realistisch te worden. Onheil ontstaat niet uit heilzame kwaliteiten maar je roept dat over jezelf en anderen af door onheilzame zaken zoals de wortels van hebzucht, haat en begoocheling. Ik twijfel daar niet meer aan.
Mijn eigen ervaring als ex-client is dus dat het super belangrijker is jezelf echt duidelijk te maken dat je niet in therapie bent vanwege de kwaliteiten die je hebt maar door de onheilzame manieren van denken, je vertekende veel te eenzijdige percepties, je gretigheid, obsessie, het vuur in jezelf, je onheilzame neigingen, spraak en gedrag.
In therapie ben ik nooit echt tot deze oprechtheid gekomen omdat ik denk ik in essentie meer troost en steun zocht dan een einde van lijden. Het lijkt me moeilijk voor therapeuten om ook niet alleen maar te functioneren als trooster en steuner maar mensen ook realisme bij te brengen. Maar de vraag is wel of iemand in therapie daar wel voor open staat, waarschijnlijk niet?
Bij de Pali Boeddha zie ik dat het Pad naar heil een Pad is van realistisch worden. Een weg van no-nonsense. Wie wil dat nog? Ik denk wel dat cruciaal is.