
Vandaag staat het leven van vrouwen, nonnen en zenmeesters, uit het oude China centraal en in het verlengde daarvan gaat het over gender. In alle tijden en alle culturen wereldwijd zijn vrouwen buiten de annalen van de geschiedschrijving gehouden. Dat geldt voor alle disciplines, niet alleen voor religie, maar ook voor de kunsten, componisten, schilders, en wetenschappen. Een treffend voorbeeld is Coba Ritsema, waaraan het Frans Hals museum in Haarlem tot 1 maart 2026 een tentoonstelling wijdt. Ze ontving in haar tijd in het begin van de vorige eeuw lovende kunstkritieken, won diverse belangrijke prijzen in binnen- en buitenland, maar was weggezonken in de vergetelheid. Ik had nog nooit van haar gehoord. De kracht en kleur van haar werk kun je vergelijken met schilders als Breitner en Verwey. Door de eeuwen heen zijn vrouwen die in hun tijd van grote betekenis zijn geweest buiten de boeken gehouden. Dat was ook het geval met Chinese nonnen en zenmeesters. We leven in een tijd waarin wereldleiders een model van mannelijkheid uitdragen waarin begrippen als macht, rijkdom en agressie centraal staan. We leven in een tijd waarin gender en pluriformiteit onder grote druk staan. Als ik specifiek op vrouwen inzoom, dan zien we dat de positie van vrouwen in de afgelopen eeuw sterk is verbeterd. Er is ook meer aandacht gekomen voor homoseksualiteit, racisme en diversiteit. Maar als we op dit moment naar een specifieke groep mannen luisteren, dan wordt die rol van vrouwen en van minderheden weer ingeperkt en specifiek voor vrouwen gereduceerd tot verzorgster en lustobject. Deze mannen zoeken hun heil in een model van mannelijkheid dat gebaseerd is op competitie, concurrentie en onderwerping van vrouwen en minderheden, het wordt ook wel het “machismo van de achterhoede” genoemd. Ik hoop eerlijk gezegd dat het dat ook blijft, een achterhoedegevecht. Toch schijnen nogal wat jonge mannen zich hierdoor te laten inspireren (2025: 182). Lees dit verhaal over Chinese nonnen en zenmeesters met dit kader in gedachten.
Ik had de keuze kunnen maken om de aandacht te richten op de prachtige gedichten uit dit boek, maar heb toch besloten om de strijdbaarheid van deze Chinese nonnen en zenmeesters te belichten. Ik heb daarom vooral teksten gekozen die het begrip gender op zijn kop zetten. Dankzij het boek Lives of the Nuns uit 516 van de monnik Baochang, zijn we iets over hun leven te weten gekomen. Baochang was verbonden aan het hof van de Liang dynastie. Het zou kunnen dat Zongchi, dochter van de keizer en één van de opvolgers van Bodhidharma, hem hiertoe heeft aangemoedigd. Het boek geeft een levendig beeld van de levens van 65 abdissen en nonnen in het oude China over een periode van 200 jaar. Het was het moment in de geschiedenis waarin het boeddhisme in China naar een eigen culturele vorm toegroeide. Ik kan me voorstellen dat die periode vergelijkbaar is met de huidige situatie van het boeddhisme in het westen, waarin dat zich ook aan het voltrekken is[1]. Er was grote waardering voor de nonnen, het waren vooral dochters uit de elite. Uit de verhalen van Baochang kunnen we opmaken dat de eerste nonnen van China een ongekende autoriteit bezaten; hun aanzien beperkte zich niet alleen tot de eigen monastieke gemeenschap, maar was ook zichtbaar binnen het politieke en sociale domein. Exemplarisch is het leven van abdis Miehuan uit het jaar 385[2]. De Grootleraar, één van de drie topambtenaren in dienst van de keizer, had dit klooster speciaal voor haar laten bouwen[3]. Baochang beschrijft de situatie. Dagelijks hielden meer dan honderd rijtuigen stil voor de poorten van haar klooster. Kloosterlingen, leken, rijk en arm, iedereen kwam langs met giften in de hoop dat de abdis haar invloed zou aanwenden.
In 2003 verscheen het boek Daughters of Emptiness van Beata Grant met een compilatie van gedichten van Chinese nonnen en zenmeesters uit de gehele keizerlijke dynastieke periode: vanaf 220 de tijd van het vroege boeddhisme tot en met 1911, toen de laatste dynastie ten val kwam. De poëzie van Chinese vrouwen is pas sinds 25 jaar toegankelijk geworden, toen er voor het eerst een aantal vertalingen van anthologieën uitkwamen, die Beata Grant ook deels heeft gebruikt in Daughters of Emptiness. Ze geeft een aantal verklaringen waarom de vertaling zo lang op zich heeft laten wachten. De belangrijkste is dat mannen de officiële geschiedschrijving schreven. Dat gold ook voor de bloemlezingen en voor de genealogische lijnen van opvolging. Hoe groot de waardering ook was voor de zenmeesters en nonnen die in hun tijd geroemd werden om hun literaire talenten, hoe eminent ze ook waren, ze bleven buiten beeld. Desondanks zijn er uit de gehele keizerlijke periode gedichten van vrouwen bewaard gebleven, in de vroege periode waren dat er slechts een handjevol. Maar vanaf de zeventiende eeuw met de Qing dynastie breekt er een tsunami los van meer dan drieduizend collecties van poëzie van vrouwen, waarvan een deel bewaard is gebleven. Die enorme opleving vond plaats in de slipstream van de zijderoute die tot enorme economische en sociale veranderingen had geleid. De boekdrukkunst kwam in deze tijd ook tot bloei waardoor vanaf die tijd veel poëzie van nonnen bewaard is gebleven. Het was een periode van grote voorspoed. Vrouwen uit de hogere kringen profiteerden hiervan. Ze kregen toegang tot onderwijs, een grote stap voorwaarts, want tot die tijd kregen zij slechts wat rudimentair les, vanwege de stellige overtuiging dat educatie voor vrouwen moreel ondermijnend was[4].
Sinds het boeddhisme naar het Westen kwam, zijn de matriarchen onder het stof vandaan gehaald. Het gebeurde door vrouwen die zich begonnen af te vragen hoe het kon dat er geen vrouwelijke leraren werden genoemd. Waar waren de vrouwen? Het landschap is sindsdien veranderd en de lege plekken zijn aan- en ingevuld met ontelbare vrouwelijke leraren uit het verleden en in het heden. Zo werkt Ineke Vogel, zenleraar, aan een website over vrouwen en zen.[5] In dezelfde periode dat de gedichten uitkwamen kwam ook de litanie van transmissie van vrouwen tot stand. Het was het werk van vrouwen die hun zenbeoefening combineerden met onderzoek aan de universiteit. Tot die tijd bestond er alleen de litanie van transmissie van mannen. In de jaren negentig van de vorige eeuw correspondeerde Ton met deze vrouwen. Sindsdien reciteren we tijdens soetradiensten afwisselend beide litanieën[6].
Als we onze blik richten op het leven van Chinese vrouwen dan zien we dat er voor hen vele hindernissen waren voordat ze hun roeping konden volgen. Vrouwen hadden geen recht op zelf- beschikking. De traditie van het rode koord bepaalde dat koppels voor elkaar waren voorbestemd; symbool hiervan was het koord van rode zijde waar vooral vrouwen aan vastzaten. Een ander en veel groter obstakel was de norm van ‘Thrice-Following’, het was de traditionele regel van Confucius die bepaalde dat vrouwen achtereenvolgens onder het gezag van hun vader stonden, vervolgens onder het gezag van hun echtgenoot en tenslotte onder het gezag van hun zoon.[7] Na haar intrede in het klooster schreef Wanxian een non uit de Qing dynastie (1644-1912) dit gedicht:
“Het rode koord dat duizend li lang is, wordt op dit moment in tweeën gekapt.
In deze sublieme setting is het zinloos te spreken over het Driemaal Volgen.”
Het is een zeldzaamheid dat een non zo openlijk haar blijdschap bejubelt over haar roeping die haar bevrijdde van de knellende onderdrukkende opvattingen.
Het boek bevat ook gedichten van nonnen en zenmeesters uit onze traditie, waaronder Yi-kui (1625-1679). Via de gedichten spreken deze vrouwen met klare taal tot ons. Ik citeer een gedicht van haar[8] (2003: 82):
“Als je de Dharma vrij laat stromen, dalen hemelse bloemen op je neer.
Van teveel praten en debatteren raak je alleen maar in de war.
Op het juiste moment en met een beetje geluk, is het onmogelijke mogelijk.
Kloppen op de leegte, het merg eruit zuigen, wordt een manier van leven.”
In de laatste regel refereert ze aan Bodhidharma toen hij van zijn opvolgers zei: hij heeft mijn huid en mijn vlees, hij heeft mijn botten, maar zij heeft mijn merg geërfd. Vermoedelijk werd hiermee de eerder genoemde Zongchi bedoeld. Mijn merg, wil zeggen, tot in de kern, intiem, ishin-denshin, van hartgeest tot hartgeest.
Vrouwen hebben het in hun gedichten regelmatig over gender, meestal in de betekenis van ultieme non-dualiteit van mannelijk / vrouwelijk. Voor het eerst gebeurde dit ten tijde van de Tang dynastie (618-907). Uit die periode is een beroemde dialoog bewaard gebleven van Moshan, een zenmeester uit onze traditie. Zij is een van de weinige vrouwen die is opgenomen in de ‘Records of the transmission of the lamp’[9]. De dialoog van Moshan met de arrogante monnik GuanQi, zoals hij wordt omschreven, is een belangrijke Dharma battle (id.: p7). Moshan verdedigde de stelling dat er geen onveranderlijke essentie is die ‘mannelijk’ of ‘vrouwelijk’ kan worden genoemd. Zij refereert hier aan de drie kenmerken van het bestaan: anatta: er is geen zelf met een vaste kern; annica: alles is vergankelijk en onbestendig en dukkha: er is lijden en onvoldaanheid. Ze refereert hier nadrukkelijk aan geen zelf. Het onderhoud is de geschiedenis ingegaan als een van de belangrijke dharmabattles. De monnik was onder de indruk en werd haar leerling.
De meeste nonnen waren Ch’an beoefenaars, maar in het vroege China was het ook gewoonte om de Reine Land te beoefenen met het reciteren van het amituofo[10]. Tot in de huidige tijd in China worden de verschillende tradities naast elkaar beoefend. Zoals bekend onderscheidde Ch’an zich van andere tradities door de nadruk op de transmissie van hart tot hart, voorbij alle woorden. In de gedichten kwam de authenticiteit en diepgang van de realisatie van de vrouwen tot uitdrukking. Het is bijzonder dat Beata Grant de gedichten van nonnen een extra betekenis toekent. Taal en in het bijzonder poëzie zegt ze, werd door vrouwelijke zenmeesters als een instrument gebruikt om leerlingen uit hun rationele gewoontepatronen te halen, vergelijkbaar met de koan studie. Maar de gedichten van deze vrouwen zijn in tegenstelling tot de geschriften van de zenmeesters, nooit als zodanig erkend geworden. In de kloosters van de abdissen hadden de gedichten de functie van koan; het doorbreken van de ervaring van ultieme nondualiteit. Niet eerder kregen deze gedichten deze betekenis toegekend.
In het volgende gedicht van Jingang[11] een zenmeester uit de Ming dynastieke periode (1368-1644) wordt die betekenis tastbaar. Ze verloor het zicht van één van haar ogen, vanwege het onophoudelijke bestuderen van de Diamant soetra die ze las en herlas. Ze was een expert geworden en was een heel toegankelijke vrouw en makkelijk in de omgang. Ze stond bekend om haar goedgeefsheid en gaf weg wat zij kreeg. Ze gaf teisho’s over de Diamant soetra voor grote groepen monniken, nonnen en leken, waaronder ook vele officials en literatoren, die zich in haar klooster verzamelden. Als mensen haar hadden horen spreken, bekeerden ze zich tot het boeddhisme en namen toevlucht. Ze was in de zeventig toen ze overleed en had haar eigen dood voorspeld (2003: 54-55). Het gedicht gaat als volgt:
“Man of vrouw: waarom onderscheid maken tussen vals en waar?
In welke gedaante zal GuanYin zich uiteindelijk tonen?
Als iemand zou vragen of dit het lichaam van een vrouw of man is,
dan heeft het geen enkel nut om de huid van de bodhisattva af te pellen.”
Het gedicht herinnert me aan de kinhin van jaren geleden, waarbij ik vaak de sensatie had van al die lichamen, die zich almaar in rap tempo door de zendo voortbewogen als ‘Eén Lichaam’. Die lichamen, bewoond door de hartgeest die zich uitdrukt in vormen, die ondeelbaar is en toch in ieder van ons leeft. Wat is het verschil dacht ik vaak, welk verschil, wat een toeval in welke vorm de geest zich vestigt, in een mannelijk of vrouwelijk lichaam. Cisman, cisvrouw of welk gender dan ook, allen één, allemaal boeddha. Als je de omtrek eraf pelt en het lichaam vergaat, blijft er (n)iets over… dan de ongedeelde hartgeest. In het gedicht van Jingang herken je die ervaring. Wij maken beelden, creëren verschillen, leven met dualiteiten. In essentie is het veel relatiever, er zijn geen verschillen dan zichtbare biologische verschillen. Vorm is leegte, leegte is vorm. Het is ontroerend hoe deze vrouwen uit een ver verleden hun stem lieten klinken met thema’s die nog steeds actueel zijn.
Vrouwen gebruikten veel vaker dan mannen verwijzingen naar gender in hun gedichten en dat is natuurlijk niet vreemd, als je weet dat juist gender een doorslaggevende rol speelde in de blokkade van hun ambitie een kloosterleven te kunnen leiden. Voor de meeste vrouwen gold dat ze vaak tegen hun wil eerst een huwelijk moesten aangaan. Als de echtgenoot en schoonouders waren overleden en er waren geen kinderen, dan werd het vrouwen toegestaan hun roeping te volgen. Er zijn natuurlijk vrouwen geweest die toestemming kregen hun roeping te volgen, maar vaak gebeurde het via allerlei omwegen. Als ze eenmaal de tonsuur hadden ontvangen en waren ingetreden, was er een diep besef van verbondenheid met de eigen lineage van vrouwelijke zenleraren. Dat komt tot uitdrukking in verwijzingen die ze in hun gedichten maken naar typische voorbeelden en zen anekdotes.
Een treffend voorbeeld over non-dualiteit is van de zeventiende-eeuwse abdis Jizong (id: 17) Het is een krachtige aanmoediging voor vrouwen. In haar onderricht vertelt de abdis het verhaal van het parel offerende drakenmeisje, dat was voorbestemd een boeddha te worden. Ze was de dochter van de drakenkoning en op een dag toen ze luisterde naar een lezing van Manjushri over de Lotus soetra, kwam ze plots tot grote verlichting. Na de lezing vroeg Shariputra, een van de belangrijke discipelen van de Boeddha, hoe het mogelijk was, dat iemand zo maar opeens tot verlichting had kunnen komen, terwijl de Boeddha er vele levens over had gedaan. En dan ook nog een vrouw die nota bene onderworpen was aan de vijf hindernissen[12] en daardoor sowieso de potentie miste een boeddha te kunnen worden? Na deze opmerking ging het drakenmeisje pal voor Shāriputra staan en terstond veranderde ze in een man. Het is een toonbeeld van spiritueel inzicht en vermogen! Geslacht en gender waren getransformeerd, ultieme staat van non-dualiteit, de essentie van verlichting.
Vrouwen in China moesten nogal wat struikelblokken overwinnen om een plek te vinden in een patriarchaal georganiseerde en gedomineerde wereld. In gedichten over gender lieten zij hun strijdbaarheid zien. Daarnaast waren de thema’s van hun gedichten vergelijkbaar met de thema’s die mannelijke dichters in hun dichtkunst gebruikten.
We zijn in de vierde feministische golf beland, na het ‘me too’ tijdperk van een aantal jaren geleden, zijn we beland in een periode met de slogan: ‘Wij eisen de nacht op!’ In mijn jonge jaren, zo’n vijftig jaar geleden vierden we in Nijmegen de heksennachten, waarin we als heksen rond middernacht de straat opgingen en precies hetzelfde eisten. Nu eisen we de nacht opnieuw op. Er is gelukkig tegenwoordig breed gedragen aandacht gekomen voor femicide. Het Centraal Bureau voor de Statistiek geeft aan dat jaarlijks meer dan veertig vrouwen slachtoffer worden van femicide, iedere acht dagen wordt er een vrouw vermoord, meestal door een vriend of echtgenoot. Sinds 2022 is Mariëtte Hamer aangesteld als Regeringscommissaris seksueel grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld. Ze gaat met jonge mannen in gesprek over gender. Er is een organisatie ‘Emancipator’, die zich inzet voor gendergelijkheid en er zijn influencers, zoals Défano Holwijn die, sinds de aandacht voor femicide, mannen oproepen zich anders te gaan gedragen en solidair te zijn met vrouwen, hun verantwoordelijk- heid te nemen voor wat er in hun omgeving gebeurt. Uit onderzoek dat Marriëtte Hamer heeft laten uitvoeren, blijkt dat het merendeel van de ondervraagde mannen andere mannen op seksistisch gedrag zouden willen aanspreken, maar ze weten niet goed hoe dat te doen. Wat Hamer voorstelt is heel simpel: zie je dat een vrouw wordt lastiggevallen kijk dan niet weg, maar zeg er wat van. Dit geldt ook voor racisme, antisemitisme, islamofobie en homofobie. In haar boek Niet van Gisteren fileert Anja Meulenbelt de verhoudingen tussen mannen en vrouwen, die nog steeds in essentie ongelijk zijn. Mannen als Andrew Tate en Jordan Peterson zetten de toon in de discours over rollen van mannen en vrouwen. Ze willen terug naar de jaren vijftig waarin vrouwen ondergeschikt waren en juridisch handelingsonbekwaam. Dat is nog maar zeventig jaar geleden! Hun boodschap is dat vrouwen mannen voorbij zijn gestreefd waardoor je geen man meer bent (2025: 168). Ze leggen de schuld, voor de onzekerheid van mannen over hun rol, bij vrouwen en zoeken hun heil in onderdrukking en agressie. Ze hebben niet door hoezeer ze zichzelf hiermee beschadigen en liefdevolle en gelijkwaardige relaties onmogelijk maken. Die boodschap herhaalt zich steeds weer opnieuw: Susan Faludi schreef al in 1994 in Backlash dat mannen doorheen de geschiedenis zich beginnen te roeren zo gauw vrouwen een paar stappen vooruit hebben gezet. Mannen zijn bang te worden ingehaald door vrouwen, hoewel daar in werkelijkheid totaal geen sprake van is. Mannen bezitten nog steeds het overgrote deel van de macht en rijkdom in de wereld (id.: 168). Maar daar gaat het natuurlijk in essentie niet om.
Pankaj Mishra, een van de belangrijkste schrijvers en intellectuelen van onze tijd, beschouwt mannelijkheid als een hersenschim die nagejaagd blijft worden door types als Tate. Hij ziet als oplossing om de mondiale crisis op te lossen, dat mannen zich bevrijden van die hersenschim, van de absurde maar verlammende angst dat ze niet genoeg man zouden zijn. “Het zou helpen als mannen zouden leren van deze zich herhalende crisis en inzien dat zij de kwetsbaarheid van vrouwen delen en dat ze niet langer ontkennen dat we leven op een planeet die zelf in gevaar is. Het heersende mannelijkheidsmodel is een dwangbuis en een bron van groot leed, zowel voor mannen als voor vrouwen, en voor de gehele wereld (id.: 182).” Het wordt tijd dat die specifieke groep mannen ontdekt dat ze zonder krampachtig mannelijk keurslijf veel meer mens zijn, veelzijdiger en flexibeler. Meulenbelt eindigt met de verzuchting: “Ik hoop nog mee te maken dat vrouwen niet meer bang hoeven te zijn van mannen. En mannen niet meer bang hoeven te zijn voor het feminisme (id.: 183). Ik hoop met haar mee. We hebben nog een lange weg te gaan, zo hardnekkig zijn de opvattingen en overtuigingen over mannelijkheid, vrouwelijkheid en gender.
Moedig voorwaarts!


Geef een reactie