Op 29 juni 2020 verscheen in het Boeddhistisch Dagblad een artikel over de ‘nieuwe’ religieuze bewegingen en de strijd tegen het ‘bijgeloof’ in China. Dit is echter geen nieuw verschijnsel. Het zijn onderwerpen waarover historicus Vincent Goossaert en antropoloog David Palmer schreven in hun boek The religious question in modern China (2011). Zij schetsen hoe de ‘religieuze kwestie’ ontstond en telkens de kop opstak in de periode van 1898 tot 2008. Dit artikel gaat in op het onderwerp tot 1949, het jaar dat de communisten de macht overnamen. Over boeddhisme onder Mao verscheen eerder een artikel in dit dagblad.

In China waren voor de twintigste eeuw politiek, samenleving en religie verweven met elkaar. Het land heeft nooit een dominante religie gekend. In moderne samenlevingen met een dominante religie, die beschikt over een duidelijk omschreven doctrine en instituties gaat de religieuze kwestie vooral over de verhouding van deze religie met de samenleving.

Voor de 20ste eeuw bestond er in dit land een grote religieuze diversiteit. De Chinese kosmos en samenleving waren van oudsher religieus gestructureerd. De keizerlijk religieus-politieke staat, in dit geval van de Qing-dynastie (Mantsjoe-dynastie), was hiervan het regelend centrum, in ieder geval in theorie. Met het ontstaan van de republiek China in 1912 veranderde dit ingrijpend. Daarna volgden gewelddadige veranderingen elkaar snel op, ook op het gebied van religie.

Het religieuze systeem

Als uitgangspunt voor het bestuderen van de religieuze kwestie en de ontwikkeling ervan beschrijven de auteurs de basisstructuur van de Chinese religieuze praktijk in de late Qing-dynastie. Zo ook de manier waarop dit regime dit probeerde te reguleren. Het is een hiërarchisch en gecompliceerd systeem van de drie leren confucianisme, taoïsme en boeddhisme én een amalgaam van diverse legale en illegale religieuze tradities en praktijken. Hiervan was de keizerlijke staat het regelend centrum.

De vaak eeuwenoude Chinese religieuze tradities en praktijken (folk religion) omvatten onder andere tradities van individuele verlossing door meditatie en lichaamsoefening, spirituele mediums en familie gebonden rituelen, de toepassing van moreel juist gedrag, maar ook lokale religie, voorouderverering en verering van plaatselijke heiligen. Dit alles is niet los te zien van de drie leren, waarvan de morele principes invloedrijk waren en werden gepropageerd door eeuwenoude en gezaghebbende boeken over moraliteit.

Religieuze beleving

De meeste Chinese leefgemeenschappen waren gevestigd rond plaatselijke tempels. Deze behoorden tot een van de drie leren, maar nog vaker tot lekengemeenschappen. Ze waren verbonden met onder andere lokale goden, heiligen en voorouders. Voor sommige religieuze groepen was tempelbezoek verplicht, maar er waren in deze tijd ook veel religieuze groepen waaraan deelname vrijwillig en optioneel was.

Boeddhistische en taoïstische gemeenschappen bijvoorbeeld financierden religieuze rituelen en ondersteunden hun deelnemers. De vaak voorkomende wierookverenigingen organiseerden rituelen om de geboortedag van hun heilige te vieren en onderhielden hun tempels. Weer anderen organiseerden pelgrimages naar heilige plaatsen en gaven de soms duizenden pelgrims voedsel en thee.

De keizer

De keizerlijke staat gaf vorm aan dit religieuze landschap van de late Qing-periode. Dit gebeurde niet altijd, want de invloed van de keizer was beperkt. Het regime steunde op het hemels mandaat van de keizer en hij had in theorie de volledige theologische en institutionele macht op religieus gebied. Hoewel hij er vaak voor koos religieuze groepen hun gang te laten gaan, had hij het recht om in te grijpen.

Van hem werd verwacht dat hij door zijn rituele rol de wereld en de religie van zijn onderdanen zou reguleren, maar dit bleek te hoog gegrepen. Hij had bijvoorbeeld te maken met het keizerlijke hof: zijn persoonlijk domein werd beperkt door zijn familie en zijn personeel.

Godsdienstpolitiek

Op staatsniveau bestond minder vrijheid. De religieuze staatspolitiek was onderworpen aan voorschriften. Het uitgangspunt van de staatspolitiek was een pluralistische, maar intolerante opvatting over religie. Een grote variëteit aan opvattingen en praktijken werd erkend als religieus orthodox, maar andere niet en die werden verboden.

Religieuze staatscultussen waren de basis van de keizerlijke orthodoxie met het hoogste eerbetoon aan de Hemel, kosmische goden en keizerlijke voorouders. Van de meest heilige rituelen waren ‘gewone’ Chinezen buitengesloten. De keizer zelf voerde in zijn rol als priester rituelen uit, voorgeschreven door de confuciaanse liturgie.

De keizerlijke politieke leiding erkende confuciaanse, taoïstische en boeddhistische kerkgenootschappen om ze te kunnen reglementeren. Hetzelfde gebeurde met een groot aantal andere culten. Sommige cultussen en organisaties waren immoreel of ketters.

Op lokaal niveau bestond een religieuze laissez-faire politiek ten opzichte van de drie leren. De late Qing-bestuurders trokken echter een scherpe lijn tussen toegestane en verboden vrijwillige religieuze organisaties, maar dit viel niet te handhaven. Sommige verboden culten werden dus gedoogd.

Om allerlei redenen, waaronder politieke en theologische, probeerde de keizerlijke staat het aantal en de omvang van de tempelcultus te beperken door administratieve voorschriften. Hierdoor kon de band tussen de lokale gemeenschap en de keizerlijke staat aangescherpt worden en de staat zijn invloed uitoefenen. Af en toe werden ‘immorele’ tempels door de staat met de grond gelijk gemaakt. Dit diende ook om de lokale bevolking onder druk te zetten. Staatsambtenaren traden echter met weinig succes op tegen nachtelijke religieuze vieringen en de praktijken van spirituele mediums.

Laatkomer

Het christendom was een relatieve laatkomer in China. In 1585 gaf de paus de Jezuïeten het exclusieve recht voor bekeringsactiviteiten. Aanvankelijk een ketterse sekte, werd het christendom onder Engelse militaire dreiging in 1842 officieel toegestaan. Het christendom daagde de Chinese samenleving uit. Intellectueel omdat missionarissen op hoge toon hun kritiek uitten op de samenleving en religie. Dit had grote invloed op de manier waarop de nieuwe, vaak westers geschoolde Chinese elite tegen samenleving aankeek, soms met regelrechte afkeer.

Dit en de westerse (militaire) bescherming van christenen wakkerden anti-christelijke gevoelens aan. In veel Chinese dorpen ontstonden conflicten, omdat christelijke bekeerlingen weigerden belasting te betalen voor de regionale tempel en voor religieuze festivals (vooral opera’s). Missionarissen moedigden hen aan.

‘Salvationist groups’

De illegale ‘salvationist groups’ bloeiden onder de ogen van de keizerlijke overheid. Deze groepen, ook wel ‘Chinese folk religious sects’ genoemd, vormen een eeuwenoude religieuze traditie, die zich richt op het heil (= zaligheid, verlossing) van individuen en van de samenleving. Wat opvalt, volgens de auteurs, is de gelijkheid onder de leden en een charismatische leider, die meestal een religieuze openbaring heeft gehad. Er is een theologie met eeuwenoude heilige teksten en het geloof in de komst van een duizendjarige vredesrijk en/of het paradijs op aarde (millenarisme). Er is zendingsdrang en sommige onderzoekers noemen dit de vierde religie naast de drie leren. Ook bestaat er een relatie met geheime genootschappen, die ook ver teruggaan in de Chinese geschiedenis. In de late Qing-periode vielen hieronder diverse lokale gewapende groepen en geheime broederschappen.

Lokale gemeenschappen hadden vaak sympathie voor deze groepen, vooral ook omdat de groepen meestal vreedzaam waren en een bijdrage leverden aan deze gemeenschappen. Deze groepen werden onderdrukt, meestal naar aanleiding van een geweldsincident of een keizerlijk bevel.

Zieke man van Azië

Eind negentiende eeuw, begin twintigste eeuw was China de ‘zieke man van Azië’. Het Westen had het land industrieel en technisch ingehaald. Het was politiek vernederd, economisch uitgebuit en intern verscheurd. De economie kon de groeiende bevolking geen behoorlijk bestaan garanderen. Het land werd geplaagd door natuurrampen en boerenopstanden, waarbij geheime (religieuze) genootschappen een rol speelden, soms met contacten op het niveau van het keizerlijk hof. Achtereenvolgende keizers, anders dan hun voorgangers en voorouders, waren te zwak om dit aan te pakken. Ook waren ze niet opgewassen tegen conservatieve krachten in de staat en aan het hof.

Oorlog en opstanden

De opiumoorlogen met het Verenigd Koninkrijk (1839-1842/1856-1860) waren vernederend voor China, net als de Chinees-Japanse de oorlog (1894-1895). Het gevolg was dat China deels gekoloniseerd werd. De Taiping-opstand (1850-1864) en de Bokseropstand (1899-1901) hadden een religieus karakter,  de laatste opstand was vooral ook nationalistisch.

De Taiping-opstand tegen de Qing-dynastie begon als een van de vele boerenopstanden en werd geleid door Hong Xiuquan, die volgens een visioen de jongere broer van Jezus zou zijn. Hij stichtte het Hemelse koninkrijk van de volmaakte vrede. Zo’n 20 tot 30 miljoen mensen, vooral burgers, stierven als gevolg van de opstand. Samen met de Fransen en de Britten sloeg het Qing-regime de opstand neer. In de 20ste eeuw inspireerde de opstand Sun-Yat-sen  de stichter van het moderne China en Mao Zedong.

De Bokseropstand ontstond door onvrede van de verarmde boeren. Zij  kwamen onder invloed van het genootschap ‘vuisten der gerechtigheid en eensgezindheid’  (Yihetuan): de boksers. Zij beoefenden een oude door het taoïsme geïnspireerde scherm-vechtsport. Ze verzetten zich tegen de westerse en Japanse inmenging in China, tegen vreemdelingen, missionarissen en christenen en tegen het lakse keizerrijk. Later kregen zij  openlijke steun van het conservatieve keizerlijke hof. Een militaire interventiemacht sloeg de opstand bloedig neer. Het gezichtsverlies van het keizerlijk regime was enorm.

Republiek China en krijgsheren

Al deze ontwikkelingen bij elkaar veroorzaakten de Xinhai revolutie van 1911. De Chinese republiek werd uitgeroepen in 1912. Sun Yat-sen, een van de revolutionaire kopstukken veranderde de naam van zijn organisatie in Kwomintang (KMT). Hij was de eerste president van de nieuwe republiek.

Tijdens de Taiping-opstand was het regime gedwongen om provinciale gouverneurs toe te staan hun eigen legers op de been te brengen om de opstand te bestrijden, sommige waren zeer goed getraind en modern bewapend. Veel van deze legers werden niet ontbonden. Tijdens revolutie in 1911 brak in heel China muiterij uit. De periode 1916-1928 staat bekend als de periode waarin China opgedeeld was onder militaire leiders (warlords). In 1928 verenigde de nationalistische Kuomintang met communistische steun China onder leiding van de militair leider Chiang Kai-shek (1877-1975). Hij had actief deelgenomen aan de revolutie van 1911. Na de val van het keizerrijk was China nog lang onrustig. In 1949 namen de communisten de macht over.

Sloop tempels en bijgeloof

Wilde China nog een toekomst hebben en zich kunnen meten met het Westen dan moest het land in snel tempo ingrijpend moderniseren. Intellectuelen drongen er in de jaren 1890 al op aan tempels in beslag te nemen om er scholen in te stichten en te financieren en om boeddhistische, taoïstische geestelijken te verjagen. Lokale elites, ambtenaren en groepen hervormingsgezinden namen dit idee over onder het mom van: ‘Sloop tempels, bouw scholen.’ Ook werden tempels gevorderd voor bijvoorbeeld postkantoren en niet alle tempelovernames verliepen overigens gewelddadig.

Kort na 1898 ontstond een nieuwe manier van kijken naar religie, die de verhouding staat en religie in China volkomen op zijn kop zette. Dit kwam door de invoering van tot dan toe onbekende westerse begrippen ‘religie’ en ‘bijgeloof’. Het waren nieuw gevormde woorden, die enkele jaren tevoren in Japan waren ontwikkeld. Ook daar waren ze aanvankelijk onbekend. Voor de 20ste  eeuw was in China de religieuze scheidslijn orthodox, legaal versus heterodox en illegaal. De begrippen ‘religie’ en ‘bijgeloof’ brachten een nieuwe scheidslijn teweeg, namelijk die tussen geloof (religie) en bijgeloof. De elite ontving de nieuwe religieuze normen positief, omdat de westerse religie werd gezien als een sterk verbindende factor van de moderne en superieure westerse natiestaten. Er ontstond gaandeweg een debat over wat in de Chinese situatie een religie is.

De wens om religie te scheiden van bijgeloof werd onderdeel van een publiciteitscampagne gericht op de morele heropvoeding van de bevolking. Leidende leden van de eerste republikeinse regering in 1912 vormden de Vereniging voor Sociale Hervorming die zich onder andere richtte tegen begrafenisrites, tegen tempelfestivals, tegen waarzeggerij en het aanbidden van welke beelden dan ook. Anti-bijgeloof was een frontale aanval tegen lokale culten, maar ook tegen de confucianistische religie.

Republiek China en godsdienstvrijheid

De voorlopige grondwet van de Republiek van China van 11 maart 1912 garandeerde de vrijheid van religie. De Chinese elite was zich echter niet bewust van de tegenstrijdigheid tussen de vrijheid van religie enerzijds en anderzijds het uitroeien van bijgeloof en het slopen van onwelgevallige tempels.

De vroeg-republikeinse regering werkte aan een nieuwe religiepolitiek en religieuze zaken werden ondergebracht bij het Ministerie van Onderwijs. De blauwdruk van dit ministerie beoogde de bestaande religies te hervormen, waardoor zij zouden bijdragen aan de sociale vooruitgang. Het document kwam tot stand te midden van politieke chaos waarbij leiders en opvattingen elkaar snel opvolgden. Het beschreef de positie van religie in de moderne Chinese staat, dat daarna ongeveer hetzelfde bleef: ‘the state was ready to recognize “religions” as doctrinal, spiritual, and ethical systems with a social organization, but only if they got rid of “superstition”, including their ritual. De religies die hieraan voldoen zouden worden beschermd door de vrijheid van religie. In de eerste maanden van het bestaan van de republiek werden vijf religies door de staat erkend en dit zou voor de komende eeuw blijven. Het waren: rooms katholicisme, protestantisme, islam, boeddhisme en taoïsme.

Nationaliteit en religie

De huidige Chinese bevolking bestaat uit 92% Han-Chinezen, minderheden zijn 8% van de bevolking.  Volgens de formulering van Sun yat-sen bestaat de Chinese republiek uit vijf ‘nationaliteiten’, te weten: de Han, de Man (Mantsjoes), de Zhang (Tibetanen) en de Hui (moslims). De religieuze identiteit van de Han bleef open voor debat, terwijl deze identiteit van de andere vier afhankelijk is van hun etniciteit.  Volgens de nationaliteitenpolitiek valt religie automatisch toe aan etnische groepen, zijzelf hebben geen keuze.

Niemand twijfelde eraan dat boeddhisme de religie is voor Tibetanen en Mongolen. Islam is het geloof van de grote bevolkingsgroep van het noordwesten van China. Ondanks de grote variëteit aan talen, levensstijlen, gewoontes en sektes worden ze allen Hui genoemd.

Gedurende de hele 20ste eeuw, inclusief onder het communisme, vielen het management van islam, Tibetaans boeddhisme en inheemse etnische minderheden onder de nationaliteitenpolitiek.

Nationalisten

De ‘warlords’ hadden weinig belangstelling voor religie, of bevoordeelden hun eigen geloof. In 1927 nam Chiang Kai-shek de macht over in het grootste deel van het land. De nieuwe een-partij-staat  industrialiseerde en moderniseerde het land, maar ging gebukt onder conflicten met de resterende warlords, de communisten en het Japanse keizerrijk dat in 1937 China binnenviel.

De nationalistische regering van Chiang Kai-shek koos er enerzijds voor om de gevestigde religies te steunen en tegelijkertijd ze te controleren volgens een corporatistisch model. Anderzijds ging de regering vol in de aanval tegen bijgeloof.

Het regime vestigde een nieuwe relatie met de gevestigde religies door middel van nieuw opgerichte nationale verenigingen. In ruil voor politieke steun aan de staat en goedkeuring voor de anti-bijgeloof politiek konden religieuze leiders rekenen op enige autonomie voor hun religie. Boeddhistische en taoïstische verenigingen kregen invloed op het beheer van hun tempels. Met katholieken en protestanten werden overeenkomsten gesloten over het beheer van hun kerken en over confessioneel onderwijs.

Een programma om bijgeloof uit te roeien werd ingezet, waaronder wetgeving om bijgelovige beroepen te verbieden, zoals toekomstvoorspellers, mediums en gebedsgenezers. Ook werd de handel verboden in producten van bijgeloof bijvoorbeeld geest geld (‘spirit money’).

Er werd wetenschappelijk onderzoek gedaan naar religie, waarbij criteria werden opgesteld voor het behoud of de sloop van tempels. Boeddhistische en taoïstische tempels in pure vorm, dus zonder sporen van bijgeloof, en tempels gewijd aan de helden van de Chinese beschaving, waren het waard gespaard te worden.

Het grootse plan van het nationalistische regime bleek in de praktijk echter grotendeels een mislukking. De nationalisten waren er weliswaar van overtuigd dat de richtlijnen nodig waren om van China een sterk, rijk en modern land te maken, maar ze ruzieden over de procedures. Al te enthousiaste partijactivisten en opgehitste studenten die religieuze boeken verbrandden en beelden neerhaalden werden ontvangen door vijandige reacties van de lokale bevolking en wat vaak leidde tot anti-regeringsrellen. Rechtszaken en lokale conflicten rond vernietigde en in beslaggenomen religieuze eigendommen verstopten de rechtbanken.

Westen

Het christelijk-seculier normatieve model dat de norm werd voor de religieuze politiek van de Republiek China was het resultaat van een eeuw strijd, onderhandelingen en pacificatie tussen staat en kerk in het seculiere Westen.

‘Christelijk’ en ‘seculier’ zijn de twee zijden van dezelfde medaille. ‘Christelijk’ volgens beide auteurs, omdat de kerk in het Westen gescheiden en onafhankelijk is van andere maatschappelijke instituties. Tegelijkertijd ook ‘seculier’, omdat het in het Westen van de staat en andere maatschappelijke instituties wordt verwacht dat zij hun zelfstandigheid doen gelden ten opzichte van de kerk.

Om door de staat erkend te worden en door de wet te worden beschermd moest een religie voldoen aan het christelijk-seculiere normatieve model en een nationale religieuze vereniging oprichten. Deze vereniging is hét instrument van aanpassing en invloed. Het is gesprekspartner van de staat en belangenbehartiger bij de staat. Deze verenigingen ontstonden in 1912 en ontwikkelden zich verder in de 20ste eeuw.

Christendom

In hoofdstuk drie beschrijven de auteurs hoe de religies in China reageerden op de religiepolitiek van de Chinese republiek. Hoger onderwijs was de basis van de christelijke invloed op de Chinese samenleving in de 20ste eeuw. Een groot deel van de nieuwe elite was geschoold aan westerse hogescholen en universiteiten in China of in het buitenland. Volgens de auteurs is een van de redenen dat China geen christelijke republiek werd de beperkte invloed van christenen aan de militaire academies en in het militaire apparaat. Het leger werd na 1912 het centrum van de staatsmacht.

Christelijke organisaties speelden een grote rol bij de strijd tegen maatschappelijke kwalen, zoals tegen opiumgebruik, tegen het roken van sigaretten, de strijd tegen alcohol, tegen het afbinden van vrouwenvoeten, tegen prostitutie en tegen het verkopen van dochters. Dankzij deze betrokkenheid waren niet-christelijke Chinezen bereid om met christelijke Chinezen politiek samen te samen. Dit alles met als doel om van China een sterk, modern en democratisch land te maken.

Enerzijds werden westerse politieke idealen overgenomen, maar anderzijds waren Chinese christenen bereid op te komen voor de onafhankelijkheid van China, wanneer deze in gevaar kwam. De Chinese christelijke elite bood weerstand tegen westerse geloofsgenoten, als hun Chinese nationalistische gevoelens dit nodig maakten. Anders dan in latere periodes werden christelijke politici niet gezien als verraders van de nationale zaak.

Boeddhistische hervorming

Vanaf de late 19de eeuw stond het boeddhisme onder constante druk van de regering en van de intellectuelen. De monnik Taixu (1890-1947) was de invloedrijkste hervormer van het boeddhisme en een zeer actieve deelnemer aan diverse boeddhistische bewegingen. Boeddhistische geschriften, maar ook de politieke geschriften van de hervormer en revolutionair Liang Qichao (1873-1929) inspireerden Taixu om zich in te zetten om China te redden. Dit deed hij door de hervorming van het Chinese boeddhisme.

Chinese monnik

Zijn invloed was wijdverbreid onder intellectuelen. Aan het begin van de 20ste eeuw was hij een icoon naar wie alle belangrijke boeddhistische leiders verwijzen in hun leringen. Zijn visie op het moderne boeddhisme is gebaseerd op boeddhistische teksten, is ethisch, sociaal geëngageerd en ‘humanistisch’, het tegenovergestelde van het ‘begrafenisboeddhisme’. Begrafenisboeddhisme is het boeddhisme als aanbieder van liturgische diensten aan de bevolking. Taixu’s gerichtheid op de geschriften is een antwoord op de christelijke kritiek dat boeddhisten hun canonieke teksten niet kennen.  De veranderingen die Taixu inzette kregen navolging in heel Azië.

De General Buddhist Association of China (Shanghai) in 1912 voorzag in het verspreiden van het boeddhisme, het stichten van boeddhistische scholen, het officieel maken van bestaande lokale onderwijsinitiatieven en het oprichten van boeddhistische universiteiten. Ook wilde de association missionarissen opleiden om geestelijke bijstand te geven in het leger, in gevangenissen, in ziekenhuizen, maar ook om het boeddhisme in het buitenland te verspreiden. Bovendien was de bedoeling dat er boeddhistische uitgeverijen, kranten, onderzoekscentra en verschillende welzijnsorganisatie zouden worden opgericht. Het idee van de association om de eigen religie centraal aan te sturen was op zichzelf al opvallend, omdat traditioneel ieder klooster of tempel autonoom was.

Mededogen

De gevolgen van deze Chinees boeddhistische hervormingen openbaarden zich volgens de auteurs in de Chinees-Japanse oorlog van de jaren 1930 en 1940. Chinese monniken kwamen in gewetensconflict door de botsing van het streven naar geweldloosheid van het boeddhisme (ahimsa) en trouw aan hun land. Trouw aan het vaderland betekent het opnemen van de wapens tegen Japan. Veel reformistische jonge monniken besloten bewust tot ‘mededogende oorlogsvoering’ (compassionate warfare) en namen deel aan teams om de sangha te redden uit het oorlogsgeweld. Andere monniken begonnen een partizanenstrijd tegen de Japanse troepen. Dit alles  droeg bij aan een nog grotere acceptatie van Taixu’s maatschappelijke vernieuwingen van het Chinese boeddhisme.

De godsdienstpolitiek van de communisten borduurt verder op het patroon dat gevolgd is door de Chinese republikeinen en nationalisten. Dit patroon is van Europese snit. Naar gelang de politieke wind haalde het communistische regime de teugels aan of vierde ze. Wanneer de teugels gevierd werden bloeide het ‘bijgeloof’ op, vaak in de vorm van bijvoorbeeld ‘nieuwe’ religieuze bewegingen. Wanneer deze te invloedrijk bleken, trad de Chinese overheid hard op. De communistische partij duldt geen concurrentie en is beducht voor maatschappelijke onrust en verlies van aanzien.

Bronnen en literatuur
Goossaert, V and D. Palmer. The religious question in modern China. University of Chicago Press, Chicago, 2011
Seidel, J. Boeddhisme in China. Magazine Vrienden van het Boeddhisme, 2013
Van der Braak, A. Boeddhisme ‘booming’ in China. Magazine Vrienden van het Boeddhisme, 2013
Van de Braak, A. Vijf bezoeken aan China verder, Magazine Vrienden van het Boeddhisme, 2015
Qing dynasty, Encyclopaedia Brittanica, last updated july 2019
The fall of the Qing, 1840-1912, Oxford Bibliographies, last reviewed 2017
Superstition, Eurocentrism, and the Classification of Religion in Modern Chinahttps://www.youtube.com/watch?v=barHjSuwnIA

 

 

 

Categorieën: Chinees boeddhisme, Achtergronden, Boeddhisme, Geluk, Pakhuis van Verlangen
Tags: , , , , , , , , , , ,

Lees ook:

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk