Vrijheid heb je niet in je eentje, want je leeft samen met anderen. Is het niet zo dat we de concrete vrijheid juist ervaren in de samenleving? De schrijver Isaiah Berlin heeft nagedacht over het sociale aspect van vrijheid, dus de vrijheid die we beleven op straat en op het werk. Er is altijd een zekere mate van vrijheid volgens Berin, maar hij maakt een onderscheid tussen een negatieve en een positieve vrijheid. De negatieve is de vrijheid waarbij we niet door anderen gehinderd worden wanneer we iets willen doen. De positieve vrijheid is de mate waarin we in staat zijn om te doen wat we willen. Bij het eten van een ijsje is onze negatieve vrijheid dat we daarvoor niet worden opgepakt of dit ijsje niet uit onze handen wordt getrokken door een voorbij fietsende ijsverslaafde. Het is ons dus toegestaan en een ander heeft niet het recht om ons te dwarsbomen. Onze positieve vrijheid is dat we voldoende verdienen om een ijsje te kopen en dat er voldoende ijsboeren zijn. Met andere woorden, deze vrijheid is zodanig dat de maatschappij het ons mogelijk maakt ervan gebruik te maken.

De twee soorten vrijheid

Isaiah Berlin legt de twee soorten vrijheid uit als volgt:

‘De eerste van deze politieke betekenissen van vrijheid of liberaliteit zal ik de negatieve betekenis noemen, die betreft de vraag: Wat is het gebied waarbinnen het subject – een persoon of een groep personen – het toegestaan is om te doen of te zijn wat hij in staat is te doen of te zijn, zonder dat andere personen zich ermee bemoeien? De tweede, die ik de positieve betekenis zal noemen heeft te maken met de vraag ‘wat of wie is de bron van sturing of ingrijpen die kan bepalen dat iemand dit of dat is of doet?’ (blz. 185 eigen vertaling)

Welke van de twee soorten vrijheid belangrijker is, is een politieke kwestie. De regeringen die zich het meest op de borst kloppen vanwege de vrijheid van hun burgers, zoals die van de VS en het VK, denken hoofdzakelijk aan de negatieve vrijheid. Het verschil tussen arm en rijk is er erg groot en velen kunnen daar zich eigenlijk maar weinig veroorloven, hoewel ze wel van alles mogen. Daar tegenover staan landen als China en Rusland, waar de burgers op veel punten worden gecontroleerd, maar aan de andere kant ook worden ondersteund.

Beide soorten vrijheid zijn altijd beperkt. Negatieve vrijheid heeft als grens dat anderen niet door de uitoefening van mijn vrijheid mogen worden gehinderd. Ik heb bijvoorbeeld de vrijheid een tuinfeestje te organiseren, maar ik moet rekening houden met de buren. Dit geldt helaas niet voor de luid ronkende reclamevliegtuigjes met de meest onzinnige teksten die een zonnige dag langdurig kunnen vergallen. De positieve vrijheid wordt begrensd door het feit dat je met geld of macht niet alles kunt kopen of kunt regelen en dat er een grens is aan wat je allemaal samen kunt doen, denk maar aan de wachtrijen in de Efteling.

Conventies

Hoe we over deze vrijheden denken, wordt voor een belangrijk deel bepaald door wat we gewend zijn, wat volgens de algemene opvatting de dingen zijn die iedereen zou moeten kunnen doen en ook of iedereen hierin gelijk zou moeten zijn. Een minister verschijnt niet op Prinsjesdag in peniskoker, hoe graag hij dit ook zou willen. Ook is het nog niet zolang geleden dat vrouwen geen kiesrecht hadden en geen broeken mochten dragen. Vandaag de dag gelden er nog kledingvoorschriften binnen verschillende religieuze groeperingen, waardoor sommige mensen zich onvrij voelen.

Het persoonlijke leven en het openbare leven kunnen wat vrijheid betreft niet strikt worden gescheiden en dat heeft gevolgen voor de praktijk van het boeddhisme. Binnen onze samenleving geldt dat iedereen hoort te werken en te consumeren. De economie moet immers groeien! Dit gaat in tegen de vrijheid om je persoonlijk te ontwikkelen. De mythe dat een manager door een leiderschapscursus een beter mens wordt, houdt in de praktijk nu eenmaal niet stand. Wijsheid mag je alleen in je eigen vrije tijd opdoen en die vrijheid is bij sommigen nogal beperkt. Iedereen moet immers het beste uit zichzelf halen! Er zijn landen waarin het doen van een meditatie-retraite veel meer is aanvaard (dat is negatieve vrijheid) en waar er ook meer gelegenheid toe is (positieve vrijheid). Onze vrijheid om te denken wordt bovendien aangetast door de op kijkcijfers azende redacteuren van de media, de uit narcisme voortkomende wilde geruchten op de sociale media. Het zijn bovendien niet alleen vliegtuigjes die onze innerlijke rust luidruchtig verstoren met verleidelijke onzin. Boeddhistische deugden, zoals eenvoud, bescheidenheid en zelfonderzoek, worden nog maar zelden gewaardeerd.

Vrijheid moet eten

Er zijn veel mensen op deze aarde die helemaal geen tijd hebben om te denken aan meditatie, omdat ze eenvoudigweg nauwelijks rond kunnen komen. De vrijheid die wij hebben om te werken en te consumeren, gaat echter wel vaak ten koste van hun vrijheid. Met andere woorden, de consumptiemaatschappij in het ene deel van de wereld vernietigt veel positieve vrijheid in een ander deel. In Cambodja brak er onder het personeel van een aantal schoenenfabrieken vorig jaar een staking uit. De werkers verdienden daar $60 per maand en dat was te weinig, ze wilden graag 75$. De schoenenfabrikant onderzoekt nu de mogelijkheid om in Ethiopië een fabriek te openen, waar je voor $15 per maand al arbeiders kunt inhuren. De schoenen (sneakers) liggen in de winkel voor meer dan $200 per paar. Nu zijn er natuurlijk mensen die van achter hun aardbeiencroissant met latte ons willen verzekeren dat alles zal goed komen als deze mensen gewoon hun slechte karma uitzitten en veel mantra’s opzeggen. Het zal echter niemand verbazen dat de arbeiders in Ethiopië daarvoor zelf eerst garanties willen zien.

Statusdrang

Berlin schrijft dat onze hang naar status in nauw verband staat met onze behoefte aan vrijheid (blz. 205). Als we door de ijsboer niet als klant worden erkend, kunnen we geen ijsjes kopen. Voor het boeddhisme in het Westen komt dit tot uiting in activiteiten als het streven naar een boeddhistische omroep, een boeddhistisch tijdschrift en in het openbaar mediteren. Een cursus mindfulness voor de zaak is echter geen uiting van vrijheid, maar juist van gebrek daar aan. Het doel ervan is namelijk uiteindelijk niet persoonlijke ontwikkeling, maar geld.

Geld maakt niemand vrij. Wie rijk is, geniet hoofdzakelijk van de status. Geld en status zijn bovendien gebaseerd op conventies, zoals Thomas More in zijn boek ‘Utopia’ heeft laten zien. De luxe waarmee veel mensen zich tegenwoordig omringen, bestaat uit middelen waarmee ze zichzelf overtuigen dat ze gelukkig zijn. Het is moeilijk om jezelf te overtuigen, want de twijfel slaat steeds weer toe. De enige manier om de twijfel aan het geluk buiten de deur te houden, is jezelf van vrijheid te beroven door de zorg die de luxe met zich mee brengt. Het is als iemand die de gehele dag op zoek is naar nieuwe soorten ijsjes en ijssalons en daardoor zijn suikerziekte vergeet.

Vrijheid betekent onzekerheid

Positieve vrijheid brengt het gevaar van historicisme met zich mee, dat wil zeggen de overtuiging dat de geschiedenis een soort sturende factor van de samenleving is, waar je bovendien op kunt rekenen. Om de controle en verboden goed te praten, wordt vaak gezegd dat deze nodig zijn om van het land soort ideale samenleving te maken en dat we al een eind op weg zijn. In het boeddhisme is de Kalacakra-mythe van Ṥambala daar een goed voorbeeld van. De filosoof Karl Popper heeft echter in zijn boek ‘The poverty of historicism’ (De armoede van het historicisme) aangetoond dat dit een vergissing is. De toekomst is per definitie onzeker, dus niemand kan garanderen dat bepaalde maatregelen alle problemen voor goed zullen oplossen. De toekomst is open, ze is vrij en wat vrij is laat zich niet opsluiten in een mal. De toekomst is namelijk afhankelijk van wat we in de toekomst zullen denken en vinden. Dit kunnen we onmogelijk weten, we weten nu al niet wat we over een minuut zullen denken. Vrijheid gaat samen met onzekerheid. Immanuel Kant heeft vrijheid gedefinieerd als door je voorstellingen kunnen krijgen wat je je voorstelt, met andere woorden kunnen krijgen wat je wilt. Onze voorstellingen van de wereld en van wat daaraan moet worden veranderd, veranderen voortdurend.

In de meeste religies heeft men al ontdekt dat de wil nogal stuurloos is. Stel dat u dit stukje wilt lezen. U bent daar vrij in, maar wie wil lezen moet de regels volgen, zowel de regels die gevormd worden door de woorden als de regels van de grammatica. Natuurlijk, u kunt uw blik laten dansen over het scherm, nu eens gericht op een ‘a’, dan weer op een ‘s’ of een ‘l’. Dit valt echter niet mee en het voelt bijna tegennatuurlijk. Je moet dan voortdurend de neiging bedwingen om te gaan lezen wat er staat. De wil zit zichzelf in de weg, want wanneer je het ene wilt, kun je het andere niet nastreven. Met andere woorden, zodra je iets wilt, is je vrijheid verdwenen, want je kunt dan niets anders meer willen. Bovendien word je door je wil gedwongen om te proberen te krijgen wat je wilt en daardoor word je afhankelijk van de omstandigheden en de medewerking van anderen.

Berlin zag over het hoofd dat er een wil nodig is voor vrijheid. In feite is dit de kern van de boodschap van de Boeddha. Het leven is onbevredigend doordat we nooit krijgen wat we willen en als dat dan toch lukt, is het zo weer verdwenen. De oplossing is het nirvāṇa, hetgeen de uitdoving is van de behoefte om te krijgen wat je wilt. Dit wordt door de Boeddha tṛṣṇa of thanha (letterlijk dorst) genoemd.

Nu zou je kunnen tegenwerpen dat iemand die echt niets meer wil, gewoonlijk in een kist wordt gestopt en vervolgens naar een crematorium wordt gebracht om daar onder het genot van een kopje koffie en een plakje cake te worden verbrand. Dat kan toch niet de bedoeling zijn van het boeddhisme? Het valt met andere woorden niet te ontkennen dat de wil bij het leven hoort. De reden dat Friedrich Nietzsche het boeddhisme maar niks vond, was dat hij dacht dit voorschreef de wil in te tomen en dit was volgens Nietzsche tegennatuurlijk. Hij vond dat je het leven ten volle moest leven, het leven moest verwelkomen en ‘ja’ zeggen tegen alles, zelfs tegen tegenslag.

De wil niet-willende wil

Is de wil volgens Nietzsche dan wel vrij? Hij dacht van wel, hij vond dat de natuur, dus het lichaam, je stimuleert om steeds sterker en machtiger te worden. Dat zie je volgens hem aan alles: planten groeien, woekeren zelfs, uit zichzelf als maar door. Hij dacht dat groeien heel erg leuk is, maar vraag dit maar eens aan de directie van een grote onderneming. Managers en directeuren worden overspannen van de noodzaak om voortdurend groter te worden, want het is een heel gedoe.

Het dilemma is dus dat we van willen onvrij, dus ongelukkig, worden maar dat we er niet mee kunnen ophouden. Daarom was de ontdekking van de Boeddha dat hier een oplossing voor bestaat en dat je hier niet eerst voor hoeft dood te gaan, zoals de hindoes dachten, iets heel bijzonders. Wat de Boeddha ontdekte, was dat je een wil kunt hebben die zichzelf niet wil. De filosoof Martin Heidegger heeft twee dikke boeken over de filosofie van Nietzsche geschreven en kwam uiteindelijk tot de conclusie dat volgens Nietzsche het leven een wil is die zichzelf wil. Dat klinkt interessant, maar het is niet erg logisch. Als de wil namelijk zichzelf wil, dan moet hij zichzelf al hebben of niet. In het eerste geval kan hij zichzelf niet meer willen en dooft hij uit. Je kunt nu eenmaal niet willen wat je al hebt. In het tweede geval zal hij zichzelf nooit bereiken, want er is niets dat tussen de wil en zichzelf kan komen. In dat geval is het een vergeefse wil die alleen maar wil omdat hij niet weet wat hij wil. Zou de wil namelijk inzien dat hij zichzelf nooit kan bereiken, dan zou hij direct met willen ophouden en dus ook uitdoven. Bovendien komt de zichzelf willende wil in het dagelijkse leven nooit voor. Als je bijvoorbeeld een ijsje wilt, ga je niet omlopen om extra lang van je wil te genieten. De meeste mensen nemen de kortste weg naar de ijsboer en kopen een groot ijsje, om zolang mogelijk te genieten van het bevredigen van hun wil. Ook bij seks gaat het er niet om er lang op te moeten wachten maar om lang te genieten van de bevrediging. Het genot ontstaat dus niet door de wil, maar juist door het verdwijnen ervan.

Conclusie

We hebben gezien dat vrijheid in de praktijk in verschillende smaken voorkomt, maar altijd in dienst staat van een wil. Het is zinloos om te spreken over de vrijheid om ijsjes te eten als niemand er ooit trek in zal hebben. Er is veel geschreven over de vrije wil, maar eigenlijk de wil nooit vrij of gedwongen. Een realistische wil moet aansluiten bij de omstandigheden, ze moet uitgaan van de wereld zoals die is. Er is natuurlijk wel zoiets als een droomwil, je kunt bijvoorbeeld willen vliegen als een vogel, maar dat is een soort wil waarbij je jezelf en de wereld even vergeet. Je kunt onder hypnose of LSD opeens schoolkrijtjes willen eten, maar dat is niet je eigen wil. De wil is dus nooit helemaal vrij of onvrij. Een losgeslagen wil is niet vrij, ze is chaos en zal nooit genot of geluk kennen. Een wil die door iets anders wordt veroorzaakt is geen wil maar een geconditioneerde reflex. Als we spreken van een vrije wil, bedoelen we een middenweg van vrijheid, die voorbij gaat aan zowel bepaaldheid als onbepaaldheid.

Jean-Luc Nancy noemt vrijheid het vermogen om jezelf te verrassen,

‘Ze (de gedachte) weet dat ze vrijheid is omdat ze weet dat ze als gedachte een ervaring van vrijheid is, gewoonweg vanwege het feit dat ‘denken’ betekent niet noodzakelijk te zijn vanwege een essentie, door een basis of een oorzaak…’ (blz. 82 eigen vertaling)

Vrijheid en denken horen bij elkaar, want je weet nooit wat je volgende gedachte zal zijn en je beseft dat. Daarom zal een computer nooit kunnen denken. Daarom zal elke dictator op den duur falen. Omdat niemand zijn gedachten kan bepalen, kan niemand denken wat de tiran wil dat er gedacht wordt. Je kunt mensen verbieden bepaalde dingen te zeggen, maar niet om bepaalde dingen te denken en gedachten proberen altijd hun weg naar de openbaarheid te vinden, omdat mensen in elkaars gedachten leven. Deze vrijheid is het geheim van samsāra en nirvāṇa. Samsāra is de ervaring van het streven om je gedachten werkelijkheid te laten worden, nirvāṇa is de ervaring van het besef dat de werkelijkheid ontstaat uit je gedachten en daarom nooit kan zijn wat je denkt. De vrijheid van gedachte, het denken zelf, is de boeddhanatuur, de tathāgatagharba en Samantabhadra.

Boeken
Jean-Luc Nancy: ‘L’expérience de la Liberté’ – Ed. Galilée, Parijs 1988
Isaiah Berlin: ‘Four Essays On Liberty’ – Oxford U.P. Oxford 1969, blz. 118-172.
Karl Popper: ‘The poverty of historicism’ – Routledge, London 1994
Erik Hoogcarspel studeerde filosofie en Indische talen aan de rijksuniversiteiten in Groningen en Leiden. Hij ontmoette in 1975 de 16e Karmapa, het hoofd van de Karma Kagyü School, één van de vier kloosterscholen van het Tibetaans boeddhisme en was penningmeester van de Nederlandse stichting van deze school. In 1978 richtte hij samen met Jildi Mohamad Sjah het Boeddhistisch Meditatiecentrum te Groningen op. Hij was columnist in verschillende bladen en publiceerde ‘Koken met Filosofie’ en een vertaling van de belangrijkste tekst van Nagarjuna ‘Grondregels van de filosofie van het midden’ (Olive Press, Amsterdam 2005, alsmede een Engelse versie). Hij doceerde aan de Radboud Universiteit Nijmegen, de Goudse Scholengemeenschap Leo Vroman en is verbonden aan het Internationale School voor Wijsbegeerte in Leusden. Dit is tevens de uitgever van zijn boek ‘Het Boeddha-fenomeen’ (2016), de Engelse versie draagt de titel ‘Phenomenal Emptyness’ en is verkrijgbaar bij Amazon.

Categorieën: Achtergronden, Boeddhisme, Dharma en filosofie, Pakhuis van Verlangen
Tags: , , , , , , , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu