In de Mahasatipathana wordt melding gemaakt van de vier grondslagen voor de vestiging van oplettendheid: lichaam (kayanupassana); gevoelens (vedananupassana); gedachten (cittanupassana) en de conditioneringen annex de mentale objecten (dhammanupassana). Verder werden de monniken door de Boeddha geïnstrueerd voor de vestiging van oplettendheid om de aandacht te richten op “het lichaam in het lichaam”; “gevoelens in gevoelens”; “gedachten in gedachten” en “mentale objecten in mentale objecten”. De meeste westerse vipassana leraren maken geen expliciet onderscheid in de grondslag voor oplettendheid, maar beginnen meestal met kayanupassana (rijzen – dalen van de buikwand) en door de “open aandacht” benadering belanden de yogi’s snel in dhammanupassana, waar het bewaken van de zintuigen een van de kenmerke
Maar dit is geen algemene regel in vipassana. Verschillende oosterse meesters zijn duidelijk explicieter in het aangeven van hun voorkeur voor een specifieke grondslag voor de opbouw van tijdelijke concentratie. Acharn Naeb Mahaniranonda[1] bijvoorbeeld geeft de voorkeur aan kayanupassana; Krisnamurti[2] geeft de voorkeur aan vedananupassana; terwijl Sayadaw Swe U Min[3] de cittanupassana benadrukt. Daarbij is de gehanteerde techniek bij elke grondslag niet hetzelfde, de techniek van benoemen die zo prominent aanwezig is bij de kayanupassana werkt bij citttanupassana minder effectief. Je kunt ervan uitgaan dat de technische aanpak van elke grondslag anders is omdat de eigenschappen van de grondslagen geheel anders zijn.
In de Mahasi Sayadaw traditie wordt aangegeven dat je het beste kunt beginnen met kayanupassana (rijzen – dalen – zitten/staan/liggen –raken), en zodra er vaart is gekomen in de meditatie dan naar gelang de aard van de mentale objecten die je tegenkomt verwissel je van grondslag in gevoelens, gedachten of conditioneringen. Er wordt vergeleken met rijden op een vierbaans weg. Je wisselt van baan naar de rechter of linker baan afhankelijk van je vaart, in combinatie met het belemmerende verkeer. De usance is dat de yogi geadviseerd wordt om de mentale objecten te benoemen maar er niet op in te gaan. Dat dit echter niet altijd genoeg is om door te dringen tot de essentie van de algemene en specifieke eigenschappen van een mentaal object, blijkt uit het vermogen van de respectievelijke hindernis om zich opnieuw te manifesteren.
De beschrijving in Ontstaan in Afhankelijkheid[4] (patticasamupada) geeft aan dat persoonlijke aspiraties (pali: Bhava/Abhava) – die wij bij onszelf herkennen als beredeneerde zinnen in de geest- de oorzaak is van het opnieuw manifesteren (ontstaan – groei – einde) van zowel materiële elementen als bewustzijnsfactoren. Dit geldt in het bijzonder voor gedachten (citta), omdat bij gedachten wij het duidelijkst kunnen zien dat de inhoud van de gedachten buiten onze eigen wil gevormd worden, maar toch geeft het een gevoel dat het je eigen gedachten zijn. Sommigen onder ons voelen zich echter gebukt gaan onder de onophoudelijke stroom van gedachten, zij worden door hun eigen gedachten geterroriseerd. Anderen laten zich helemaal leiden door de heersende gedachte of mening in hun bewustzijn, zonder enige relativering. Als wij vanuit het kayanupassana uitgangspunt vertrekken, dan ligt de aanleiding van het “tot – stand – komen” (samudaya) en het “ten – einde – komen” (vaya) van een gedachte niet bij het vraagstuk waar de gedachte zich mee bezig houdt (de subject materie) maar bij het fysieke en/of mentale contact via de poorten van de zintuigen die een gevoel dwingen om gedachten/wensen op haar beurt af te dwingen.
In de Mahasatipathana sutta wordt de kayanupassana het meest gedetailleerd uitgelegd door de Boeddha, omdat het een perfecte basis vormt voor het onderscheidingsvermogen. De eerste taak (pali: dhura) van de yogi is dan ook “het lichaam in het lichaam” te volgen, daarmee wordt voor de yogi voor het eerst duidelijk het verschil tussen lichaam en geest (pali: rupa nama). M.a.w. de yogi herkent het materiële aspect van het lichaam en aan de andere kant de aanwezigheid van een lichamelijk gewaarzijn dat geestelijk van aard is in het materiële lichaam. Dit lichaam gewaarzijn wordt primair ervaren via de poorten van de zintuigen als gevoel. Afhankelijk van de aard van het gevoel als prettig; onprettig of “noch prettig noch onprettig” worden gedachten, aspiraties afgedwongen, gekoesterd of verlaten. Vanuit kayanupassana gezien zijn het dus de gevoelens die de link vormen van het lichamelijke naar het ontstaan en verdwijnen van gedachten in de geest. In de woorden van de Boeddha:
“Vedana-samosarana sabbe Dhamma”.
Alle mentale objecten worden vergezeld door gevoel. AN, 3.38.
Verder legt de Boeddha uit in de Mahasatipathana sutta, hoe gevoelens in gevoelens gevolgd moeten worden:
“Hierin, monniken, weet een monnik, wanneer hij een aangenaam gevoel ervaart: ‘Dit is een aangenaam gevoel’; wanneer hij een onaangenaam gevoel ervaart, weet hij: ‘Dit is een onaangenaam gevoel’; wanneer hij een noch aangenaam noch onaangenaam gevoel ervaart, weet hij: ‘Dit is een noch aangenaam noch onaangenaam gevoel’; wanneer hij een aangenaam werelds gevoel ervaart, weet hij: ‘Dit is een aangenaam werelds gevoel’; wanneer hij een aangenaam spiritueel (niet-werelds) gevoel ervaart, weet hij: ‘Dit is een aangenaam spiritueel gevoel’; wanneer hij een onaangenaam werelds gevoel ervaart, weet hij: ‘Dit is een onaangenaam werelds gevoel’; wanneer hij een onaangenaam spiritueel gevoel ervaart, weet hij: ‘Dit is een onaangenaam spiritueel gevoel’; wanneer hij een noch aangenaam noch onaangenaam werelds gevoel ervaart, weet hij: ‘Dit is een noch aangenaam noch onaangenaam werelds gevoel’; wanneer hij een noch aangenaam noch onaangenaam spiritueel gevoel ervaart, weet hij: ‘Dit is een noch aangenaam noch onaangenaam spiritueel gevoel”. DN 22
De manier waarop “gevoelens in gevoelens” nader beschreven wordt is terug te vinden in de Cula Vedalla Sutta, waarbij de vrouwelijke arahat Dhammadinna uitleg geeft aan haar voormalige man:
“In een aangenaam gevoel ligt voorkeur (passie) besloten. In een onaangenaam gevoel ligt afkeer besloten. In een neutraal gevoel ligt onwetendheid besloten” MN 44
En verder legt zij uit dat:
“Bij een aangenaam gevoel moet de onbewuste tendentie tot voorkeur opgegeven worden, bij een onaangenaam gevoel moet de onbewuste tendentie tot afkeer opgegeven worden, bij een neutraal[5] gevoel moet de onbewuste tendentie tot onwetendheid opgegeven worden” MN 44
Uit het relaas hierboven wordt duidelijk dat de taak van vedananupassana is om de onderliggende tendentie van voorkeur of afkeer naar het oppervlak te brengen: het inzien dat in een prettig gevoel een voorkeur besloten ligt; dat een onprettig gevoel afkeer behuisd; en dat bij een neutraal gevoel onwetendheid ligt besloten. Vandaar dat bij het ervaren van lichamelijke pijn tijdens mediteren het niet toereikend is om alleen “pijn – pijn” te benoemen. Hiermee wordt hoogstens afstand gecreëerd tussen de observeerder en het mentale object, maar de aard van de pijn wordt niet volledig doorzien (pali: abhisamaya) waardoor bij de geringste aanleiding de pijn opnieuw kan ontstaan en nieuwe wensen/gedachten worden afgedwongen. Om het mentale object volledig te stillen, moet de yogi instaat zijn om de aandacht dieper in het gevoel te laten gaan en de onderliggende tendentie zichtbaar voor de geest te krijgen. De moeite die genomen wordt om verder te kijken dan het oppervlak zal op haar beurt concentratie en onderscheidingvermogen oproepen.
Dit is de aanpak van vedananupassana waarbij het ontleden van het fenomeen gevoel zal leiden tot ontkrachting van de dwingende positie van de zintuiglijke prikkelingen om een aangeleerd negatief mentale reactie op te roepen. In de meditatie praktijk is het nodig dat terwijl de yogi het prettige of onprettige gevoel herkent (of het benoemt met “prettig -prettig” of “onprettig – onprettig”) de yogi de aandacht gericht houdt naar de onderliggende tendentie van voorkeur of afkeer. Totdat de yogi duidelijk herkent dat de onderliggende tendentie van voorkeur en afkeer echter instabiel is, ongemak met zich mee brengt en futiel is. Mahasi Sayadaw onderstreept verder dat de werkzame modus in vedananupasana hetzelfde blijft als bij kayanupassana: de yogi scherpt zijn kijk op de dingen tot dat het zien van het ontstaan (samudaya) en einde (vaya) van de voorkeur of afkeer -in zeer korte tijden achter elkaar- zichtbaar worden[6]. Traditioneel wordt vedananupassana als vipassana ingang geadviseerd aan yogi’s die van karakter (pali: carita) veel begeerte bezitten maar tevens veel gedachten hebben.
Voor de vipassana yogi die met de kayanupassana begint, is het een vereiste dat op het moment dat pijn of euforie de overhand krijgt in de yogi’s beleving dat de yogi de overweging neemt om over te stappen naar gevoelens als grondslag. Om de momentane concentratie niet te verliezen moet de yogi zijn aanpak echter ook wijzigen in de wijze zoals hierboven is beschreven voor vedananupassana. Gevoel dat is ontstaan door contact van de zintuigen met stimuli is de eigenlijke toegang naar de geest. Door de macht van gevoelens te ontkrachten is geestesrust mogelijk, dan wel de gedachten, begeertes, aspiraties tot verstilling te brengen.
Abbreviaties:
AN Anggutara Nikaya
DN Digha Nikaya
MN Majjihma Nikaya
MS Mahasi Sayadaw: “A pratical way of Vipassana, Vol. I”, trans. U Min Swe, Buddha Sasana Nugraha Organization, Yangon, Myanmar, 2011, B.E. 2555.
[1] Frank Tullius, “Vipassana Bhavana”, Boonkanjanaram meditation center, Thailand, 2nd edition 1988.
[2] Krishnamurti, J.: Sensations – The Root Of Misery And Sorrow And The Key To Insight And Freedom,
[3] Tejaniya, Ashin (2008). Don’t Look Down On The Defilements, They Will Laugh At You. Selangor, Malaysia: Auspicious Affinity.
[4] Paticca-samuppada-vibhanga Sutta, SN 12.2
[5] Neutraal gevoel is hier genoemd als “asukhamadukha” en niet als “upekha”, daarom kunnen wij ervan uitgaan dat neutraal gevoel niet gelijk staat aan gelijkmoedigheid. Bij gelijkmoedigheid is er een notie van wijsheid aanwezig omdat de yogi feitelijk het vertrouwen en waardering voor nama rupa reeds opgegeven heeft, maar wijsheid is nog niet sterk genoeg om de zintuigen en bewustzijn spontaan te laten uitdoven.
[6] MS pagina 352