We ontkomen niet aan een korte sequentiële biografie, want de ontwikkeling van Gandhi’s gedachtengoed heeft veel te maken met zijn levenservaringen. De eerste fase, van de geboorte in 1869 tot grofweg zijn carriérestap naar Zuid Afrika in 1893, was redelijk voorspelbaar. Zijn ouders waren middenkaste-hindoes, maar er waren zeker onder de ooms en tantes invloeden van Jainisme – een zeer geweldloze subbeweging binnen het hindoeïsme. Toen hij met fondsen van de familie een studie Rechten in de UK kon betalen en wilde gaan leidde dat tot excommunicatie uit zijn kaste door enkele Amish-achtige senioren; Gandhi’s eerste ervaring met racisme/groepsdwang vanuit de ‘eigen’ groep (en niet de racistische regeringsmensen).
staatsman
Boeddha’s vervolg over to-be-or-not-to-be: Eternalisme noch Nihilisme
De leer van Boeddha zit vol potentiële misverstanden en dingen die weliswaar dagelijkse taal gebruiken, maar geen dagelijkse logica volgen. De ‘middenweg’ is zo’n terrein vol verwarring. We beschrijven hem deze keer aan de hand van de zienswijzen die incorrect zijn: eternalisme en nihilisme.
Boeddha in balans – de vijf vermogens en de weerbarstige praktijk
De Boeddha koos niet voor slappe polder-compromissen tussen de extremen maar voor een ‘op hoger niveau tillen en transformatie van het probleem’: een oplossing die door alle partijen (uiteindelijk) als goed gezien wordt. Dus in de context waar we het nu over hebben gaat het wederom om staatsmanschap, niet om handjeklap-politiek.



