Vroeger bestond kolonisatie voornamelijk uit het met geweld veroveren van een gebied om er daarna controle over uit te oefenen, bijvoorbeeld door er soldaten te stationeren, of door burgers uit het koloniserend land – het moederland! – aan te moedigen zich in de kolonie te vestigen. Het ging de kolonisator om een, twee of zelfs alle drie van de volgende zaken: gewin, prestige en strategische posities . Zo werd Nederland er economisch beslist niet slechter van dat het macht uitoefende in wat nu Indonesië heet, of Suriname. De oorspronkelijke bewoners van de kolonie hadden weinig tot niets in te brengen, en trokken op allerlei gebied aan het kortste eind. Door hun taal en cultuur als minderwaardig te bestempelen en soms zelfs te verbieden, verwierf, behield en verstevigde de kolonisator de eigen macht. Moderne kolonisatoren hebben dezelfde motieven. Ontkennen heeft geen zin. Doen of je neus bloedt helpt niet, net zo mij als een mooi verhaal ophangen onder de mom van ‘bevrijding’ of ‘herstellen van historische grenzen’. Helaas denken de kolonisatoren daar zelf doorgaans heel anders over.
Kelten
Els Janssens – het verste Oosten is … het Westen
Libbrecht ontdekte een non-duaal en in de natuur geworteld christendom en stelde zich de vraag hoe de spiritualiteit in Europa zou ontwikkeld zijn als men deze weg was gevolgd. Ver van de doctrines en de macht van Rome beleefden de Ierse monniken in hun kloosters namelijk een diepe natuurmystiek die veel verwantschap vertoont met het boeddhisme.


