Bodai heeft de nacht doorgebracht in het bos en wordt wakker door het getjilp van een eenzame vogel. Hij ziet verder niets, het bos waaruit het geluid komt is nog aardedonker. In het midden van het kamp gloeit het vuur van de vorige avond nog na. Aan de overkant klinkt het gekraak van iemand die zich op zijn bamboebed omdraait. Dit is voor Bodai wel een rare toestand, hij is wel wat gewend maar dakloos zijn was altijd maar van tijdelijke aard. Nu heeft hij geen uitzicht op verandering van zijn situatie, zou het wat voor hem zijn, een ascetisch leven? Langzaam begint het lichter te worden, dan ziet hij dat alleen Kaun nog op zijn bed, ligt de anderen zijn verdwenen.

