‘Ware liefde heeft ruimte voor iedereen, Hans.’
‘Ook voor mensen die dat niet hebben?’
‘Pardon?’
‘Heb jij ruimte voor mensen die geen ruimte voor jou hebben?’
‘Oei.’
‘Nou?’
‘Wat is ware liefde volgens jou?’
‘Onder ogen zien dat niet iedereen ruimte heeft voor iedereen?’
‘Is dat alles?’
‘Onder ogen zien dat je zelf geen ruimte hebt voor iedereen?’
‘Toegegeven.’
‘Onder ogen zien dat je niet altijd ruimte hebt voor jezelf?’
‘Nou ja, niet altijd nee.’
‘Onder ogen zien dat er misschien niemand is die ruimte heeft voor iedereen?’
‘Ik ben ervan overtuigd dat Jezus en Boeddha…’
‘Onder ogen zien dat je die alleen kent uit overgeleverde verhalen?’
‘Maar iedereen is het er toch over eens dat ware liefde…’
‘Onder ogen zien dat niemand het erover eens is wat ware liefde is?’
‘Ik weet niet of…’
‘Onder ogen zien dat je jezelf met het begrip ‘ware liefde’ boven anderen stelt, waardoor hun liefde vergeleken met de jouwe minder waar is, minderwaardig?’
‘Het was niet mijn bedoeling om…’
‘Onder ogen zien dat je dit niet allemaal of allemaal niet onder ogen kan zien?’
‘Waarom maak jij alles zo vreselijk klein?’
‘Omdat jij alles zo vreselijk groot maakt?’
‘Waarom maak ik alles zo vreselijk groot?’
‘Omdat je je kleinheid niet onder ogen wil zien?’

