‘Wat is erger, Hans, het leven of de dood?’
‘Denk jij soms dat ik al dood ben geweest of dat ik het nu ben?’
‘Wat als je niet weet wat erger is?’
‘Dan weet je niet of je blij moet zijn dat je leeft of beter dood kunt zijn.’
‘Dat weet je dan pas achteraf, wou je zeggen.’
‘Alleen als er een achteraf is, zou ik zeggen.’
‘Anders is er niemand om het te weten natuurlijk.’
‘En alleen als je je achteraf kunt herinneren hoe het was toen je nog leefde.’
‘Anders valt er niets te vergelijken natuurlijk.’
‘En alleen als je kunt verifiëren dat je herinnering een herinnering is.’
‘In plaats van een droom of een waan of zo.’
‘En alleen als die herinnering betrouwbaar is.’
‘Want het geheugen is feilbaar.’
‘En alleen als je zeker weet dat je dan dood bent en eerder leefde.’
‘Want hoe kun je nu dood zijn en toch nog denken en voelen.’
‘Dan moet er wel iets doodgegaan zijn en iets anders niet.’
‘De geest, de ziel, atman, bewustzijn, god, het al, essentie of zoiets.’
‘Aangenomen dat er zoiets is.’
‘Dus jij bent niet blij dat je leeft en je wou niet dat je dood was?’
‘Soms wel, soms niet, soms beide, soms geen van beide.’
‘Ja, dat kan ook nog.’
‘Maar alleen als ik erbij stilsta.’
‘En anders?’
‘Anders niets.’

Lezer, ben jij weleens blij dat je er bent? Wou je weleens dat je er niet meer was? Heb je die gevoelens weleens tegelijkertijd? Dacht je er vroeger anders over dan nu? Denk je dat iedereen er zo over denkt als jij? Hoe denk je erover als je er niet over denkt?

