Wie is het die voortleeft in jouw gedachten?
‘Je bent pas dood als je bent vergeten, Hans.’
‘Wou jij beweren dat een dode nog leeft zolang iemand zich hem herinnert?’
‘Hijzelf niet denk ik.’
‘Voor zichzelf is de dode dood, voor anderen niet?’
‘Ik ben mijn vader niet vergeten, hij leeft voort in mij.’
‘Wat heeft je vader daaraan?’
‘Hij niets, ik wel.’
‘Wat dan?’
‘In gedachten voer ik nog hele gesprekken met hem.’
‘Zijn jouw vader en de vaderfiguur in je hoofd een en dezelfde?’
‘Ja hoor, ik weet vaak precies wat mijn vader gezegd zou hebben.’
‘Was hij zo voorspelbaar?’
‘Nee, zo goed kende ik hem.’
‘Je hebt een vadersimulator in je hoofd.’
‘Zo had ik het nog niet bekeken.’
‘Zou je vader zich herkennen in jouw simulatie?’
‘Ik denk het wel.’
‘Wie zegt dat, je vader of je vadersimulator?’
‘Eh…’
‘Nou?’
‘Mijn simulator, denk ik.’
‘Hoeveel mensen herinneren zich je vader nog?’
‘Tientallen, misschien wel honderden.’
‘Herinneren die mensen zich allemaal dezelfde man?’
‘Dat zal haast niet.’
‘Waarom niet.’
‘Ze hebben allemaal iets anders met hem meegemaakt. Ze kennen hem als kind, jongeman of bejaarde; als zoon, broer, vader of opa; als sportman, voetbalfan, jager of mecenas; als stagiair, collega, baas of ondernemer.’
‘Ze hebben allemaal hun eigen simulator.’
‘Onvermijdelijk.’
‘Welke simulatie is je echte vader?’
‘Daar vraag je me wat.’
‘Misschien wel allemaal.’
‘Ja, dat zal het zijn.’
‘Of geen van alle.’
‘Dat kan ook nog.’
‘Heeft iemand je vader ooit echt gekend?’
‘Buiten de simulator om, bedoel je?’
‘Kan dat dan?’
‘Hijzelf, lijkt mij.’
‘Misschien kende je vader zichzelf ook alleen indirect, als simulatie.’
‘Wou jij beweren dat hij een simulator van zichzelf had?’
‘Misschien kennen we onszelf allemaal alleen indirect.’
‘Als simulatie.’
‘Misschien kennen we de hele werkelijkheid alleen indirect.’
‘Het moet niet gekker worden.’
‘Tenzij dit ook weer zo’n simulatie van de werkelijkheid is.’
‘Ik word gek.’
‘Jij of je gesimuleerde ik?’
‘Wat wil je nu eigenlijk zeggen, Hans?’
‘Ik wilde alleen wat vragen.’
‘Wat wilde je dan vragen?’
‘Is het wel je vader die je niet bent vergeten?’
‘Ik denk niet dat ik het wil weten.’

