De Linji Lu is een fantastisch zenboek en Meester Linji is een fantastische meester. Larger than life, zoals de Engelsen zeggen. Letterlijk, zoals we nog zullen zien. Een ballon die zichzelf doorprikt.

In 2015 publiceerde het Boeddhistisch Dagblad de eerste editie van Niet te geloven! De Linji Lu van Hans van Dam. Binnenkort zal ook de tweede editie als serie in deze krant verschijnen. Niet te geloven, de tweede editie!

Speciaal voor het Boeddhistisch Dagblad heb ik een vierdelige serie over de totstandkoming van Niet te geloven! De Linji Lu geschreven. Dit vierluik bestaat van begin tot eind uit terzijdes. Net als de Linji Lu, die op wat holle woorden na zo leeg is als het firmament. Net als mijn website, niet-weten.nl, al is het aantal woorden daar wat groter. Net als het leven zelf, in elk geval het mijne, dat tjokvol woorden zit waar ik nochtans feilloos tussendoor glip. Of ik nou wil of niet.

Vandaag deel 2: Hoe ik mijn voet verloor aan Portugal

Lees ook deel 1

 

De tweede herziene en uitgebreide editie van Niet te geloven! De Linji Lu is nu al te koop als paperback. ISBN 9789402182484, november 2018, 186 pagina’s, 21 x 14,8 x 1,7 cm, € 20,50, gratis thuisbezorgd.

BESTEL

 

Hoe ik mijn voet verloor aan Portugal

 

INHOUD

1. Gedenk te leven
2. Hoe ik mijn onschuld verloor op de Filipijnen
3. Hoe ik mijn koelte verloor op de quinta
4. Klappen met één voet

 

Gedenk te leven

 

Nadat ik in 2014 Niet te geloven! De Linji Lu op niet-weten.nl had gezet en de site was opgeruimd en afgerond, had ik ineens niets meer te doen. Lucienne had ook ineens niets meer te doen, want ze had in datzelfde jaar haar werk als zwakzinnigenbegeleider neergelegd om op vierenvijftigjarige leeftijd met vervroegd pensioen te gaan. Wát?

Inderdaad, dat kan tegenwoordig, je pensioen uitsmeren over je laatste werkzame jaren. Je krijgt dan minder geld voor een langere periode. Zo koop je tijd.

Vanwege mijn broze gezondheid hebben we maximaal gebruik gemaakt van deze regeling om nog zoveel mogelijk tijd samen door te kunnen brengen. Voor eigen rekening hebben we er nog een jaartje bij gepikt. Maar zo broos was mijn gezondheid nou ook weer niet. We zijn inmiddels vier jaar verder en ik ben er nog steeds. Het gaat eerder beter met me dan slechter.

‘Gedenk te sterven’, luidt het motto voor schielijk levenden. ‘Gedenk te leven’ luidt het motto voor langzaam stervenden. Wat als je niet weet of je stervende bent? ‘Gedenk te leven en te sterven’ dan maar, memento mori et vivendi. Op beide paarden wedden, altijd prijs.

Stervende ben je sowieso, chronisch nog wel, al is niemand het erover eens of de dood nou hét of een einde is. ‘Je weet maar nooit’ is het soort motto waarop je dan teruggrijpt. Het had het mijne kunnen wezen, maar zodra je er volledig van doordrongen bent, heb je het niet meer nodig. Ook motto’s gaan voorbij, een ingebouwde veiligheid.

Laten we het maar aan het memento vivendi toeschrijven dat we onszelf in de winter van 2014 terugvonden op een quinta, een herenboerderij in Portugal, om op de eigendommen te passen van twee Nederlandse expats terwijl zij er gewoontegetrouw voor vier maanden op uit trokken.

Ze leken wel gek en wij niet, maar ze waren niet gek en wij wel, want de Mediterranee is ‘s winters veel kouder en natter en donkerder dan mensen denken. Dan wij dachten. Eigenlijk zijn alleen de tussenseizoenen er echt aangenaam, niet te heet en niet te koud, niet te nat en niet te droog.

Vandaar dat er in Zuid-Europa vooral oppassers worden gevraagd voor de winter- en zomermaanden. Je moet een beetje naïef zijn om daarop in te gaan, en aan naïviteit heeft het mij nooit ontbroken.

 

Hoe ik mijn onschuld verloor op de Filipijnen

 

Zo liet ik mij als twintiger tijdens mijn eerste vakantie naar de Filipijnen meteen na aankomst inpalmen door twee mooie Filipijnse meisjes die mij ogenschijnlijk spontaan een gratis rondrit door Manilla aanboden, met een authentieke Filipijnse maaltijd en een rituele wassing bij hun thuis, ‘really very special’.*

‘Wow’, zeggen we tegenwoordig, maar ik zal in mijn beste Tagalog iets als ‘Goedendag!’ gezegd hebben. Wat een gastvrijheid, daar kunnen wij kaaskoppen nog wat van leren, dacht ik opgetogen. Alsof iedere Nederlander net zo ongastvrij was als ik. Maar zo dacht ik in die tijd: dat iedereen net zo was als ik. Niet te geloven.

We stapten in een aftandse auto die als bij toverslag met louche chauffeur en al in mijn vernauwde blikveld was verschenen, en reden een onnavolgbare route over steeds slechtere wegen door steeds armoediger wijken. Ten slotte kwamen we terecht in een enorme achterbuurt, Tondo, die naar ik later ontdekte slecht aangeschreven stond. Nog steeds had ik niets door. Integendeel, ik vond het hoe langer hoe interessanter worden. Nog maar net aangekomen en nu al contact met de locals, wat een avontuur.

We gingen een klein huisje binnen vol doorgezakte bankstellen met fletse, versleten lappen eroverheen, en op ieder liggend en staand vlak kleurige katholieke parafernalia, prijs de Heer, keer op keer. Na een onduidelijk drankje werd ik met bagage en al door kronkelende gangetjes naar een slaapkamertje geloodst waarin op hoge poten een oud spiraalbed stond met een doorgelegen matras en langszij een houten strijkplank met een teiltje water erop. Het teiltje was groezelig, het water leek schoon.

Voor de rituele wassing moest ik mij helemaal uitkleden. Dat vond ik wel eng, ik ben Superman niet. Toen ik daar hakkelend uiting aan gaf, trok het meisje dat de leiding had plompverloren haar jurk omhoog en onthulde een grote bos steil schaamhaar met daarboven een donker pigmentstreepje richting navel, de linea nigra. Moeder Manilla, droegen ze hier geen onderbroeken? Ze was ouder dan ik dacht. Ik keek haar met open mond aan, waarop ze breed glimlachend haar jurk weer liet zakken.

Mijn kleren werden in een ruime kledingkast gelegd en mijn bagage ging er erachteraan. Nee hoor, ik hoefde niet te helpen. De rituele wassing stelde weinig voor, schoon zou ik er niet van worden, en dat verbaasde me niet. Ritueel betekent meestal ‘niet echt’, let maar eens op. Maar de handelingen werden tot mijn consternatie wel steeds intiemer. Ze hielden het midden tussen wassen en watergolven en ik kon er door hun tweeslachtigheid nauwelijks tegen protesteren, als ik dat al had gewild.

Terwijl ik mij herhaaldelijk voor mijn opwinding verontschuldigde (‘Is okay, no problem’), haalden medeplichtigen aan de andere kant van de doorloopkast in alle rust mijn zakken en tassen leeg.

Wat hen aanstond visten ze eruit, een deel van mijn geld, een aantal van mijn cheques, mijn nieuwe zwembroek, nieuw ondergoed, een stapel zakdoeken, een duikbril, aspirines, mondvoorraad, mijn reiswekker enzovoort, maar niet zoveel dat het me direct op zou vallen en mijn woede zou wekken. Mijn horloge bijvoorbeeld lieten ze gewoon in mijn broekzak zitten. Ik zie er ook niet uit als iemand die heibel schopt, of had je dat al begrepen – daar hadden ze me natuurlijk op uitgezocht.

Na een geheim signaal dat mij ontging was het feest ineens afgelopen. Met vage excuses werd ik het huis uit gewerkt en met dezelfde aftandse auto via eenzelfde onnavolgbare route weggebracht naar een onbekende wijk midden in Manilla, ver van de plaats waar mijn hotel zich bevond: dat zou me wel even bezighouden. Omdat de tank leeg was, zeiden ze, en omdat ze niet over contanten beschikten, zeiden ze, betaalde ik van het geld dat ze voor me overgelaten hadden nog hun benzine ook. Kun je nagaan hoe naïef ik was.

De rest van de vakantie bleef ik dingen ontdekken die ze achterover hadden gedrukt. Zelfs thuis vielen me nog voorwerpen in.

 

* Ik woonde in die tijd in Tokyo bij mijn toenmalige geliefde, Tomoko (‘tweemaanskind’) en moest iedere drie maanden het land verlaten om mijn toeristenvisum te vernieuwen. Vandaar dit plezierreisje.

 

Hoe ik mijn koelte verloor op de quinta

 

We draaien de klok dertig jaar vooruit en keren terug naar Portugal. Daar gingen Lucienne en ik naartoe, weet je nog, om te lezen en te luieren en ons te beraden op de toekomst, zo die er was en op ons beraad zat te wachten. Ondertussen had de Quinta da Flores (‘bloemenboerderij’) heel andere plannen met ons.

De ruim vier hectaren heuvellandschap van het landgoed waren de afgelopen tien jaar flink verwilderd. De vorige eigenaren hadden het onderhoud laten sloffen en de huidige waren veel te druk met het bouwen van een nieuwe vakantiewoning, een yogaplatform, een yurtplatform, een ecotuin en een cactustuin om zich met zoiets onbenulligs als de natuur bezig te houden. Deze locatie had volgens hen bijzondere trillingen en was ideaal voor een spiritueel centrum met individuele en groepsaccomodatie voor uiteenlopende tradities.

De Quinta da Flores heeft een lange historie en is waarschijnlijk in de middeleeuwen aangelegd door de moren voor het verbouwen van rijst in het stroomdal. Veel paden, trappen, terrassen, muren en percelen waren zozeer overwoekerd dat ze niet meer te herkennen waren. Overal groeiden bramen, kreupelhout, hakea’s (een uitheemse naaldstruik die de inheemse vegetatie compleet wegdrukt), mimosa (een boomsoort met dezelfde eigenschap), eucaluptus (idem), allerlei soorten eiken en ander geboomte en struikgewas.

 

Lucienne met een omgezaagde hakea

Lucienne met hakea

 

Omdat het nieuwe zomerhuis dat als ons winterverblijf diende geen isolatie had en zelfs met karrenvrachten hout niet warm te stoken was, zat er weinig anders op dan onszelf warm te werken. We begonnen voorzichtig met kiwi’s oogsten, druiven snoeien en onkruid wieden, maar kregen na een paar weken de smaak te pakken en deden algauw niets anders meer.

Zowat alles wat er woekerde was minder dan tien jaar oud en met een snoeischaar en een handzaag nog wel klein te krijgen. Gelukkig maar, want voor kettingzagen ben ik bang en het geluid ervan vind ik onverdraaglijk. De hoeveelheid organisch afval die we met onze stadse spiertjes produceerden was onvoorstelbaar. Onze vuren konden het materiaal nauwelijks verwerken en brandden weken achtereen.

Van lezen en luieren kwam niets meer. ‘s Avonds waren we zo uitgeput dat we alleen nog maar naar de houtkachel konden staren. Onze handen wilden zelfs geen e-reader meer vasthouden. We zaten onder de krassen, sneden en blauwe plekken, onze jassen hadden brandgaten en onze onverslijtbare bergschoenen vielen zowat uit elkaar.

 

Klappen met één voet

 

Schoenen zijn vervangbaar. Hetzelfde kan niet gezegd worden van voeten. Dat is spijtig, want zonder dat ik het doorhad heb ik in Portugal een zenuwbeschadiging aan mijn rechtervoet opgelopen.

Achteraf gezien is het geen verrassing. Mijn circulatie is nooit denderend geweest. Ik heb lange ledematen en sprietige bloedvaten en een klein hart dat figuurlijk en letterlijk extremen mijdt. Als kind kreeg ik bij zwemles al meteen na het betreden van het chloorbad spierwitte tenen en moest ik zo hard bibberen dat de badmeester mij halverwege de les genadig uit het water tilde en op de verwarming pootte, waar ik de rest van de les mocht uitzitten. Ook met wintertenen was ik er vroeg bij.

Vier maanden op bevroren grond sjouwen met boomstammen op mijn schouder, honderden kruiwagen vol drijfnat, loodzwaar hakhout de heuvel oprijden, duizenden hakea’s uit de grond trekken, stammen klieven, houtblokken stapelen, bivakkeren in een zomerhuis waar de temperatuur overdag zelfs met een laaiende kachel niet boven de 16 °C kwam en ‘s nachts niet boven de 8 °C – ik weet niet waar het fout ging, maar iets in mijn lichaam heeft de geest gegeven.

Sindsdien wordt er nog wel voldoende bloed naar mijn rechtervoet aangevoerd, maar het wordt niet meer zo goed afgevoerd, waardoor er ‘s ochtends meteen na het opstaan stuwing ontstaat. Mijn voet wordt ‘s zomers rood en dik, ‘s winters blauw en dik en tussendoor wit en dik, en blijft dat tot ik met mijn benen omhoog ga zitten.

Als gevolg van dezelfde zenuwbeschadiging is mijn voetzool vrijwel gevoelloos geworden, waardoor ik minder stevig op de grond sta, minder geaard ben. Iedere tastprikkel wordt abusievelijk vertaald in een onaangename sensatie, pijn of kou of iets ertussenin. Het is net of ik op natte watten loop of een klomp waddenklei aan mijn zool heb hangen.

Ook mijn spieren hebben geleden, waardoor mijn voet niet meer goed afwikkelt. Alleen met een wandelstok kan ik Lucienne nog bijhouden. Maar ik kan klappen met één voet, haha, wie doet me dat na?*

Toen ik thuiskwam uit Portugal dacht ik nog dat het allemaal wel mee zou vallen. Een beetje uitrusten, een beetje masseren, een beetje oefenen – komt goed. Mooi niet.

Overwinteren in Portugal – bezint eer ge begint.

 

* ‘Kun je klappen met één voet?’ is een beroemde Chinese koan uit de tijd dat amputatie van een of meer lichaamsdelen een gebruikelijke straf was voor lichtere vergrijpen. Nu weet je het antwoord.

 

Volgende week deel 3: Hoe ik bijna mijn rechten verhanselde aan Asoka

 

 

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu