Ben Zondervan beoefent en bestudeert sinds 1980 het zenboeddhisme en andere mystieke stromingen, waaronder de advaita vedānta. Sinds 2005 gaat zijn aandacht specifiek uit naar het daoïsme, omdat dit volgens hem de voornaamste bron is van het zenboeddhisme. Hij beheert de website www.daoisme.nl, waarop een aantal door hem gemaakte vertalingen staan van klassieke daoïstische teksten. Deze vertalingen zijn eigen interpretaties op basis van meerdere al bestaande vertalingen. Voor me liggen nu twee boekjes van zijn hand: ‘Mediteren met Laozi’, uitgegeven bij Uitgeverij Van Warven en ‘De Zenmeester die blafte’. Zondervan geeft dit boek uit bij zijn eigen Zendaochan Uitgeverij.

‘Mediteren met Laozi’

Dit boekje bestaat uit vertalingen van twee beroemde klassieke daoïstische teksten: de  Qīngjìng Jīng (清静经) en de  Nèi Rìyòng Jīng (内日用经).  In de  Qīngjìng Jīng kun je drie delen onderscheiden: het eerste gaat over de dào (de weg’ of ‘de natuur’), het tweede is een meditatie-instructie en het derde geeft aan waar je voor op moet passen, als je niet de resultaten van je meditatie wilt verliezen.

De titel van het boekje verwijst naar het feit dat beide teksten worden toegeschreven aan de legendarische Chinese wijze Laozi. Hij  zou geleefd hebben in de zesde eeuw v.j. en zou de auteur zijn van de Dàodé Jīng (‘De verhandeling over de weg en de innerlijke kracht’). Deskundigen dateren de Qīngjìng Jīng aan het einde van de achtste eeuw, maar Zondervan gaat er vanuit dat ze de woorden van Laozi zelf bevat. Het is inderdaad duidelijk dat de eerste twee verzen van de tekst naar de Dàodé Jīng verwijzen. In het derde vers wordt de dao in verband gebracht met vorm en leegte en wordt gezegd dat de hemel leegte is en vorm de aarde. Dit is een verwijzing naar het boeddhisme. De Qīngjìng Jīng is er blijkbaar op gebrand om daoïsme en Chinees boeddhisme met elkaar te verbinden, wat bijvoorbeeld blijkt uit de woorden ‘Als je permanent in zuivere leegte en innerlijke rust verkeert komen hemel en aarde samen, je keert terug naar de oorsprong.’

De Nèi Rìyòng Jīng (内日用经, de Verhandeling over de Dagelijkse Beoefening’) is een daoïstische meditatie-instructie uit dezelfde periode of misschien zelfs een paar eeuwen later, waarin eveneens boeddhistische invloeden te bespeuren zijn. Je kunt de tekst onderverdelen in een praktische instructie en een uitleg. Zondervan maakt een indeling in drie gedeelten. De tekst instrueert de mediterende stil te zitten en ‘geen enkele gedachte toe te staan en de 10,000 vormen te vergeten.’ Buiten de meditatie om moet de mediterende voortdurend de ‘zuivere leegte’ en de innerlijke rust in gedachten houden.

Zondervan hecht eraan de teksten een extra mystieke lading mee te geven, omdat hij ervan overtuigd is dat die in de bestaande vertalingen onderbelicht blijft. Op zijn website staat onder meer een gedeeltelijke vertaling van de Dàodé Jīng uit het Chinees, die Zondervan om dezelfde reden zelf heeft gemaakt. De gedoodverfde auteur van de  Dàodé Jīng is Làozi, maar er is discussie over de vraag of hij ooit wel heeft bestaan. Het zou kunnen dat de  Dàodé Jīng niet meer dan een verzameling is van spreuken en adviezen over politiek en geestelijk welzijn, die eerst mondeling en later schriftelijk in kringen van de Chinese adel werd doorgegeven. Er hebben in elk geval vele verschillende versies van bestaan. Het is heel goed mogelijk dat de tekst op een zeker moment door iemand geredigeerd is. Zondervan wil hier echter niets van horen: Làozi heeft volgens hem echt bestaan en was een mysticus die niets met politiek had en alleen over meditatie schreef. Zijn argument is dat ‘hedendaagse Meesters zoals Ramesh Balsekar, Deepak Chopra en Eckhart Tolle zien in Lao Zi zonder meer een Mysticus’. Bij zijn vertaling gaat Zondervan echter zorgvuldig te werk, hij verwijst daarbij niet naar de meningen van anderen. Hij vergelijkt zoveel mogelijk andere vertalingen, die hij ook noemt, maar komt dan wel altijd tot de conclusie dat de meeste vertalers er niets van hebben begrepen.

Vertaalproblemen

Zondervan wijkt in zijn vertaling af van de meeste andere vertalers, omdat hij de teksten als mystieke teksten wil lezen. Hij geeft bijvoorbeeld als vertaling van vers 1 van de Qīngjìng Jīng:

“De dadao  heeft als eerste beginsel en bron van het al geen vorm.
Het is de oorsprong en voeding van hemel en aarde.
Hoewel het geen drijfveren heeft, geen begeerte kent is het de oorzaak van de omloop van zon en maan (van de cirkelgang van het zelf)”.

De Tempel van de Vijf Onsterfelijken in Wudang (bekend daoïstisch pelgrimsoord in China) geeft een andere vertaling:

“De grote dao heeft geen vorm, toch baarde het hemel en aarde.
De grote dao heeft geen gevoe­lens, toch drijft het de zon en de maan.
De grote dao heeft geen naam, toch draagt het voortdurend de 10.000 dingen.
Ik ken zijn naam niet, als ik het een naam zou moe­ten geven zou ik het een ‘weg’ noemen.”

(“The Great Dao has no shape, though it gave birth to Heaven and Earth. The Great Dao has no affections yet it moves the sun and the moon. The Great Dao has no name, though it constantly supports the 10,000 things. I don’t know its name. If I had to name it I would call it a “Way.”)

De verschillen in de vertalingen laten zien dat Zondervan een eigen weg gaat en veel van zijn eigen ideeën in zijn vertalingen legt. Dit geldt trouwens ook voor de naam die hij heeft aangenomen: Wuwen Zi. Nu is de eretitel ‘zi’ iets wat je krijgt. Het drukt een soort eerbetoon uit. Het is een afkorting van de titel tiān​zǐ (天子, zoon van de hemel) waarmee eens koningen werden aangesproken en die later ook voor wijze leraren werd gebruikt. Het ontbreekt Zondervan blijkbaar niet aan zelfvertrouwen. Wuwen betekent niet ‘weet-niet’ zoals hij graag wil. Het is de naam van een van de panda’s in Ouwehands dierenpark en betekent dan ‘mooie wolk’. Verder kan het nog een reeks andere betekenissen hebben:  wǔ​wēn (五瘟) betekent de vijf demonen van een pestepidemie,  wúwén (毋蚊) betekent ‘geen muskieten’ of ‘geen vragen’ (毋问), of ‘analfabeet’ (毋文),  wúwĕn (毋稳) betekent ‘niet stabiel’. Het gebruik van toonaccenten kan al een hoop misverstanden voorkomen. De betekenis ‘geen kennis hebben’ komt helaas niet in het woordenboek voor. Misschien heeft Zondervan zich laten inspireren door een bekende tekst, die de Wénzǐ (文子) heet. Het is late tekst waarin wordt gesuggereerd dat meneer Wénzǐ als leerling vragen stelt aan Làozi. Wénzǐ betekent dan zoveel als ‘Eerbiedwaardige meneer Cultuur of Taal’.

Het probleem dat zich hier aandient is dat het Chinees een taal is die gevormd is door de traditie, net zoals het Engels. Woorden zijn wat ze zijn omdat we dat nu eenmaal zo gewend zijn en eens door iemand is ingevoerd. Grammatica speelt een ondergeschikte rol. Voor een goed begrip van het Chinees heb je dus een hoop ervaring nodig. Zo herkenden bijvoorbeeld de vertalers uit Wudang het ritme en de structuur van tegenstellingen in het vers. In de westerse hermeneutiek geldt bovendien dat je niet moet uitgaan van je eigen opvattingen over de tekst, maar de tekst zelf moet laten spreken en onverwachte wendingen of absurde details heel serieus moet nemen. In die zin is de gedachte dat er  achter elke tekst een bepaalde auteur zit met bepaalde bedoelingen al een verstorend vooroordeel.

Theosofie

Het is opvallend dat bij de vertalingen van Zondervan de toelichting vooraf gaat aan de vertaling van een vers. De lezer wordt daarbij als het ware verleid om door de bril van de vertaler naar de tekst te kijken. In de toelichting worden meestal citaten gegeven uit de Dàodé Jīng of andere bekende teksten die volgens Zondervan vergelijkbare strekking hebben. Dat er met de Dàodé Jīng overeenkomende passages zijn in beide teksten die Zondervan hier aanbiedt, is niet zo verwonderlijk, want het is erg waarschijnlijk dat de schrijvers zeer vertrouwd waren met de Dàodé Jīng.

Ik geef nog een voorbeeld van Zondervan’s geforceerde interpretatie. Op bladzijde 25 staat te lezen: “gezien de betekenis van een deel van het karakter voor dào kan de omloop van zon en maan ook betrekking hebben op het Ik of Ware Zelf dat door begeerte verwijderd raakt van de Dao en door het verlangen te laten varen er weer in terugkeert. Hoewel het zoals de meeste Chinese tekens tegelijk beide beteke­nissen kan hebben is in het kader van een meditatieve tekst als de Qīngjìng Jīng het zelf waar­schijnlijker.” De vertaling is dus een onverbloemde interpretatie, waarbij de geschiedenis wordt vertekend doordat het verleden wordt gezien door de bril van het heden. De vertaler zegt als het ware tegen de tekst: ‘Hou jij je mond maar, ik zal wel zeggen wat je bedoelt!’ Het karakter voor dào of weg is 道, deel daarvan is het karakter 自, hetgeen ‘zelf’ betekent. Zondervan heeft van de advaita geleerd dat er zoiets bestaat als ‘het ware zelf’ en neemt aan dat dit hier wordt bedoeld en dat de zon en de maan er alleen voor de versiering bij staan. Er is bovendien nogal een verschil tussen een eeuwig op zich bestaand zelf en het woord ‘zelf’ in de betekenis van zichzelf, dus als wederkerigheid.

Zondervan veronderstelt dat er een universele mystieke waarheid bestaat, die door mystici van alle tijden en culturen wordt gedeeld, een veritas mystica perennis. Hij is met andere woorden een theosoof. Als je hiervan maar stevig genoeg overtuigd bent, kun je zelfs het liedje Dikkertje Dap als een mystiek gedicht lezen. Nu is dit geen misdrijf, maar het heeft wel consequenties voor de vertalingen. Oude teksten als de Qīngjìng Jīng of de Dàodé Jīng kunnen gemakkelijk in een bepaalde ideologie worden gebruikt, ze hebben meestal geen hechte structuur en het Chinees laat meerdere interpretaties toe.

Het lichaam

Wat Zondervan eigenlijk negeert is de invloed van de geschiedenis en het toeval. Er ontstaan zo misverstanden en heldere inzichten en daarmee onderlinge discussies. Er zijn onverenigbare standpunten en men beseft dat ook. Zo ontstaat dieper inzicht. Het maakt de zaak wel wat ingewikkelder, maar het is een teken van respect voor de tekst en de traditie om de verschillen en de discussies onder ogen te zien. Inzicht groeit door discussie, door onenigheid en verschillende standpunten. Eeuwige waarheden zijn eigenlijk vrij nutteloos.

Nu is er natuurlijk wel iets dat de veel meditatoren gemeenschappelijk hebben, na­melijk dat ze niet alles even duidelijk in hun ervaringen onder woorden kunnen brengen. Ze zijn hierin echter niet de enige, iedereen heeft er wel eens moeite mee. Soms schieten woorden nu eenmaal tekort. Het is dan wel een grote stap om van daaruit te beweren dat waar woorden tekortschieten het altijd dezelfde waarheid gaat.

Een andere oorzaak van overeenstemming is dat de praktische kant van elke vorm van beoefening altijd met lichamelijkheid te maken heeft. Zonder lichaam kun je niet zitten of bewegen. Het is de basis die het verschil van mening en discussie mogelijk maakt. Zonder lichaam is er zelfs geen concentratie mogelijk. Iedereen die regelmatig mediteert, kent de invloed van ziekte en vermoeidheid op de meditatie. Veel oefeningen en hun gevolgen zijn gewoon gebaseerd op de structuur en de ervaring van het menselijk lichaam en die zijn in elke cultuur min of meer gelijk. Het idee dat die voortkomen uit een soort eeuwige mystieke waarheid die door alle mystici wordt gekend, is niet meer dan fantasie.

De zenmeester die blafte

Dit boekje is een bloemlezing van 81 citaten en uitspraken, waarin het syncretisme  van Zondervan nog verder gaat dan in het vorige boek. Er komen nu ook citaten uit de natuurkunde en uit de bijbel in voor en bovendien enkele uitspraken van Zondervan zelf. De meeste zijn echter anekdotes en koans uit de zenliteratuur. Je kunt ze lezen als bronnen van inspiratie of als stof tot nadenken. Voor wie al bekend is met bekende teksten als de Zuāngzi of de Mumonkan staat er misschien weinig nieuws in, maar voor zij die minder belezen zijn in dit genre kan het een welkome kennismaking zijn.

Zondervan noemt zichzelf in het voorwoord  Wuwen Zi, ‘de leerling-meester die het zelf ook niet weet’. Dit is een pose, hij heeft wel degelijk een overtuiging en meent dus iets te weten. Het is natuurlijk heel goed mogelijk dat hij zich dat niet realiseert en dat hij volkomen te goeder trouw is. In elk geval hebben zijn vertalingen een zekere schoonheid en zijn beide boeken mooi vormgegeven. Ze vormen een welkome kennismaking met de mysterieuze wereld van de leegte.

Mediteren met Lao Zi, twee kleine geschriften van de oude meester van de dao, Wuwen Zi, Uitgeverij Van Warven, Kampen 2020, tweede druk, Paperback 138 bladzijden
De Zenmeester die blafte, 81 teksten over de Leer zonder Woorden, onder woorden gebracht door Wuwen Zi, Zendaochan Uitgeverij, Bronnergerveen 2020, paperback 978 bladzijden.

Categorieën: Boekbespreking, Zen, Dharma en filosofie
Tags: , , , , , , , , , , , ,

Lees ook:

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk