Het blijft voor verwarring zorgen. In de Palicanon zijn het nog twee onwaarheden: ‘alles bestaat’ en ‘alles bestaat niet’ (SN 12.15). In de Chinese vertaling hiervan worden de termen ‘bestaan’ en ‘niet-bestaan’ vertaald als 有 (yǒu) en 無 (wú), twee termen die ook in de Laozi centraal staan. Bij Nagarjuna worden het twee waarheden, samvrti en paramartha, het conventionele en het uiteindelijke. In de Hart Sutra wordt het vorm en leegte. In de Cantong qi vertalen we het soms als veelheid en eenheid. In huayan en zen wordt het 事 (shi) en 理 (li). Onder invloed van onze westerse filosofie worden die twee laatsten vertaald als relatieve en absolute werkelijkheid. Jay Garfield haalt er een moeilijke Griekse term bij: ‘dialetheia’ waarbij twee stellingen die elkaar tegenspreken toch allebei waar kunnen zijn. Stephen Batchelor wijst het twee waarhedenmodel helemaal af, ook omdat het misbruikt wordt als rationale voor de autoriteit van leraren die pretenderen persoonlijk inzicht te hebben verkregen in de aard van de ultieme waarheid.
Kortom het is een zootje.
Maar misschien is het veel eenvoudiger dan dat, als we een aantal culturele vanzelfsprekendheden even opzij kunnen zetten.
Hoe ziet de wereld eruit door de ogen van de ander? Je gaat het nooit weten. Je kunt de ander alleen maar door je eigen ogen zien. Maar je kunt je blik wel verruimen door te luisteren naar de ander. Als je daartoe bereid bent, leer je niet alleen de ander kennen maar ook jezelf. Door dat contrast worden ook je eigen vanzelfsprekendheden zichtbaar. Zo opent zich een nieuwe wereld.
Voor mij heeft het contact met het boeddhisme zeker een nieuwe wereld geopend. Het is een doorgaand leerproces. Een van de dingen die ik mij ben gaan realiseren is hoezeer wij in het Westen gebiologeerd zijn door de vraag ‘wat bestaat echt’. Ik bedoel ‘bestaan’ zoals in: ‘Sinterklaas bestaat niet. Maar God bestaat wel’. En aangezien God echt bestaat, bestaat hij evengoed voor de atheïst, maar die dwaalt.
Maar als je begin december door een winkelstraat wandelt, dan zie je toch overal Sinterklaas? Er is een mooie Nederlandse uitdrukking voor: de jaren des onderscheids. Het onderscheid tussen echt en fantasie.
Uiteraard kunnen we de werkelijkheid alleen maar kennen door hoe we ze ervaren. Maar we maken een duidelijk onderscheid tussen onze ervaring en de werkelijkheid zelf. De kunst is om ons niet door onze subjectieve ervaring te laten begoochelen maar er doorheen te ontdekken wat objectief wel echt bestaat. Het lijkt te vanzelfsprekend voor woorden. Dit is geen filosofie. Het is hoe we spontaan denken.
Als we het boeddhistische model van twee waarheden, of twee werkelijkheden, willen begrijpen moeten we ons idee van bestaan loslaten. Oosterse teksten maken niet dat strikte onderscheid tussen een subjectieve ervaring en de objectieve werkelijkheid. Maar dat onderscheid is voor ons zo fundamenteel dat we zelfs geen taal hebben voor een alternatief.
Neem bijvoorbeeld een zin als: alles is illusie. Wil dat zeggen dat de hele werkelijkheid waarin we leven illusoir is? Dat zou complete nonsens zijn, maar misschien is het ongrijpbaar diepzinnig. Of wil het gewoon zeggen dat we de neiging hebben om ons over alles illusies te maken? Maar ook in deze laatste zin horen we spontaan een onderscheid tussen een objectief alles en een subjectieve illusie. Als we dat onderscheid achterlaten is er alleen maar de ervaren werkelijkheid.
Hoe we de werkelijkheid ervaren, wordt mede bepaald door hoe we ermee omgaan. Dat is waar het over gaat. En er zijn twee heel verschillende manieren om met die ervaren werkelijkheid om te gaan. De eerste is, alles wat we ervaren te zien als dat wat in dit ogenblik gebeurt. Er is maar één ogenblik waarin we leven, en dat is nu. Er is maar één ogenblik waarin we kunnen kijken, en dat is nu. Er is maar één ogenblik waarin we kunnen handelen, en dat is nu. Al de rest is verhaal.
Dat is wat we in die meditatie doen. We laten het verhaal achterwege en we kijken wat zich nu aandient. We sluiten niets uit en we pikken er niet uit. Dat is wat de Xinxinming bedoelt met ’Het is een weidse open ruimte waarin niets ontbreekt, niets overbodig is.’
De tweede manier is radicaal het verhaal instappen. Dan ervaren we een wereld van oorzaak en gevolg, van lukken en mislukken, van slagen en falen. Dat is de wereld waarin we geboren worden en doodgaan.
Hoe kunnen we goed met dit verhaal omgaan? Dit brengt ons bij een tweede aspect van ‘de jaren des onderscheids’: het onderscheid tussen goed en kwaad. In een theïstische context is dat een wet die van God uitgaat. Het geweten dat zich ontwikkelt in ‘de jaren des onderscheids’ is dan Gods stem, diep in ons. In een atheïstische context is het de stem van de rede waarop de ethiek gebaseerd wordt.
In het boeddhisme gaat het niet over wat mag en niet mag, maar stelt zich de vraag: hoe veroorzaken we lijden en welzijn? En het eenvoudige antwoord is dat we lijden veroorzaken vanuit de illusie dat we gelukkig gaan worden door onze behoeften te bevredigen. Dat is al heel ons leven tegengesproken. Behoeftebevrediging, hoe belangrijk ook voor onze overleving, is altijd tijdelijk en maakt ons nooit definitief gelukkig. Er is altijd meteen de volgende behoefte. Het is eindeloos.
Maar, zegt de Boeddha, er is een andere invulling van het woord geluk en dat is de intentie van waaruit we leven. Als we niet louter door behoeftebevrediging gedreven worden, maar door wat in het boeddhisme de vier brahmaviharas genoemd wordt: liefde, mededogen, appreciatie en onbevangenheid. Die intentie is tijdloos en onafhankelijk van het resultaat.
En dat brengt ons weer bij de meditatie. We stappen even uit de wereld van lukken en mislukken. Daar laten we de kramp los van slagen en falen. Dat is de plek waar ons mededogen weer opwelt. En van daaruit stappen we terug het verhaal in.


Geef een reactie