De ceremonie van toevlucht nemen bestaat in haar eenvoudigste vorm uit twee delen. Het eerste is de Tisarana: het toevlucht nemen tot de Boeddha, de Dharma en de Sangha. Daarop volgt de transmissie van de sila.
Ik laat sila hier bewust onvertaald, omdat elke vertaling meteen verkeerde connotaties oproept. Sila wordt soms vertaald als deugd of ethiek. In de uitdrukking pancasila wordt het in het Nederlands meestal weergegeven als de vijf (panca) voorschriften of leefregels.
Die vijf ‘regels’ zijn: niet doden, niet stelen, geen seksueel wangedrag, niet liegen en geen gebruik van bedwelmende middelen. De spontane reactie is om dit te horen als de boeddhistische variant van de tien geboden. Inhoudelijk is de overeenkomst inderdaad groot, maar de relatie is fundamenteel verschillend. Het zijn geen geboden en geen verboden.
Waarom zijn er in het boeddhisme geen geboden? De eenvoudige reden is dat er in het boeddhisme geen enkele autoriteit is die iets kan gebieden of verbieden. Dat is heel anders dan in de monotheïstische religies. Daar is er een almachtige God als ultieme autoriteit. Gods wet geldt universeel, of je nu gelovig bent of niet. Als je de wet niet naleeft, word je gestraft en wacht je in het ergste geval eeuwige verdoemenis in de hel.
De sila daarentegen is iets waarvoor je vrij kunt kiezen. In de Pali-tekst van de pancasila wordt het sikkhapada genoemd. Pada betekent pad, net als in het Nederlands. Sikkha betekent training of beoefening. De sila is een pad dat je kunt bewandelen, een praktijk die je kunt beoefenen.
Wat verklaart dan de inhoudelijke overeenkomst tussen de sila en de geboden? Heel eenvoudig: het zijn noodzakelijke voorwaarden om menselijk samenleven mogelijk te maken.
Als we elkaar uitmoorden, houdt samenleven op. In oorlogssituaties of bij genocide storten samenlevingen in. Ook als we er niet meer kunnen op vertrouwen dat we elkaar niet gaan misbruiken dan houdt het op. En wat als taal niet meer betrouwbaar is? Als fake news niet meer te onderscheiden valt van wat werkelijk gebeurd is dan verliest taal haar betekenis. Dat geldt zowel op het niveau van individuen als op wereldschaal. Ik vind het bijzonder beangstigend om te zien wat er op dit moment in de wereld gaande is.
En het reikt verder dan de mens. De bioloog Frans de Waal schreef een boek met de veelzeggende titel ‘De Bonobo en de Tien Geboden’. Apen, en andere dieren die in gemeenschap leven, blijken zich aan dezelfde, uiteraard impliciete, regels te houden. Zij hebben daar blijkbaar geen God of verlichte leraar voor nodig.
Maar als de sila geen gebod is, maar een keuze, waarom zouden we daar dan voor kiezen? Het is gewoon onze natuur als samenlevende wezens. We creëren groot onheil voor onszelf en anderen als we dat uit het oog verliezen. Dat is de boodschap van de Boeddha: wat veroorzaakt lijden en wat leidt tot welzijn? Omdat het onze natuur is, voelen we dat spontaan ook zo aan. Daar is geen dreiging van hel en verdoemenis voor nodig.
Je zou kunnen zeggen dat in het boeddhisme de twee betekenissen van ‘het goede leven’ samenvallen. Er is goed leven in de betekenis van deugdzaam leven en er is goed leven in de betekenis van genieten van het leven. Dat is uiteindelijk een vals onderscheid.
De oorspronkelijke pancasila is ontstaan als een heel eenvoudige formulering voor leken, iets waar iedereen zich kan aan vasthouden. In latere tradities zijn daar andere regels aan toegevoegd, andere formuleringen, verfijningen. Het boeddhisme probeert steeds de taal van de toehoorder te spreken. Dat is ook de reden geweest om de mandala van de vijf Boeddha-families in onze zengroep meer op de voorgrond te zetten en de sila als vijf keuzes ermee te verbinden.
De vijf Boeddha’s symboliseren de keuzes die we hebben in de omgang met onszelf, met elkaar en met de wereld. We hebben het hier al vaak over gehad; ik vat ze daarom kort samen.
Vairocana, de Boeddha van de witte familie, vaak afgebeeld met vier hoofden die in de vier windrichtingen kijken, staat voor de bereidheid om je niet te bedwelmen, maar om de geest open te houden en te kijken.
Amitabha, de Boeddha van de rode familie, vaak afgebeeld met de handen in de schoot zoals in meditatie, staat voor de bereidheid om de ander niet aan je eigen behoeften te onderwerpen, maar om je met liefde en mededogen toe te wenden naar alle levende wezens.
Akshobhya, de Boeddha van de blauwe familie, vaak afgebeeld met de hand die de grond aanraakt, staat voor de bereidheid om je niet in oordelen te laten meeslepen, maar om te luisteren en te begrijpen.
Ratnasambhava, de Boeddha van de gele familie, vaak afgebeeld met een open hand die geeft, staat voor de bereidheid om niet alles voor jezelf te houden maar om te delen.
Amoghasiddhi, de Boeddha van de groene familie, vaak afgebeeld met een gebaar van ‘wees niet bang’, staat voor de bereidheid om je niet alleen voor jezelf, maar voor alle levende wezens in te zetten.
In de oude teksten wordt de sila vaak een gift genoemd. In het mahayana is het Vairocana, de centrale Boeddha van de mandala, die de sila doorgeeft. Het is een gift, een geschenk dat je in staat stelt om een goed leven te hebben.


Geef een reactie