We zeggen graag dat de mens centraal staat. Maar steeds vaker klopt daar weinig van.
In de praktijk staat niet de mens centraal, maar het systeem. Niet het leven, maar de functie. Niet wie iemand is, maar waarvoor hij bruikbaar is. De mens mag op papier nog het doel zijn, in werkelijkheid wordt hij steeds vaker behandeld als middel.
Je hoort het in de oorlogstaal die weer verbazend normaal begint te klinken. Alsof het vanzelf spreekt dat jonge mensen beschikbaar moeten zijn voor geopolitieke belangen waar zij zelf nooit om hebben gevraagd. Alsof hun lichamen opnieuw grondstof mogen worden voor strategische berekeningen. Alsof bewapening getuigt van realiteitszin en aarzeling van zwakte.
Maar het gebeurt niet alleen daar.
In de zorg moeten mensen soms eerst een dossier worden voordat er echt geluisterd wordt. In het onderwijs worden kinderen te gemakkelijk teruggebracht tot meetbare prestaties. In de economie heet de werknemer ineens “human capital”. In de politiek is de burger welkom zolang hij past in het frame, het verhaal of het electorale belang.
En ook in onze consumptiecultuur gebeurt hetzelfde. Daar worden menselijke verlangens, zwaktes en behoeftes niet alleen bediend, maar bewust bespeeld. Bij gokken, porno, fastfood en digitale platforms is verslaving geen ongeluk aan de rand van het systeem, maar vaak een voorspelbaar gevolg van een verdienmodel. Eerst wordt de mens verleid en afhankelijk gemaakt, daarna moet hij met hulp van programma’s, coaches en campagnes weer leren zichzelf in de hand te houden. Eerst wordt zijn kwetsbaarheid uitgebuit, daarna wordt zijn ontregeling gemanaged.
Ook het lichaam raakt daarin verstrikt. De aantrekkingskracht van het vrouwenlichaam wordt op grote schaal ingezet om aandacht te trekken, producten te verkopen en verlangen aan te jagen. Wat intiem en persoonlijk is, wordt publiek materiaal. Wat tot echt contact zou kunnen leiden, wordt gebruikt als prikkel. Zo raakt seksualiteit steeds verder los van ontmoeting, wederkerigheid en aanwezigheid.
Een gezonde samenleving helpt mensen hun werkelijke behoeften te vervullen: veiligheid, verbondenheid, autonomie, erkenning, betekenis, ontwikkeling en verantwoordelijkheid. Zodra instituties of markten juist verdienen aan angst, afhankelijkheid, eenzaamheid of verslaving, staat de mens niet meer centraal. Dan is hij materiaal geworden.
Dat alles is niet zomaar kilte. Het is een manier van kijken.
Iain McGilchrist beschrijft hoe in onze cultuur een vorm van aandacht dominant is geworden die het levende opknipt in beheersbare stukken. Wat uniek is, moet in een hokje. Wat relationeel is, wordt functioneel gemaakt. Wat leeft, wordt materiaal. Mehdi Belhaj Kacem helpt om nog scherper te zien wat daarna gebeurt: zo’n systeem wil steeds meer greep, meer invloed, meer toe-eigening. En de mens verdwijnt uit beeld, behalve als bruikbaar onderdeel van dat spel.
Dan verandert ook de taal. Mensen worden “inzetbaar”. Burgers worden “gemanaged”. Kinderen worden “casuïstiek”. Ouderen worden “vergrijzingsprobleem”. Zodra taal het levende vervangt door het functionele, zijn we moreel al begonnen afscheid te nemen van de mens.
Misschien is dat wel de diepste crisis van deze tijd. Niet alleen oorlogsdreiging, polarisatie of machtsmisbruik. Maar een mensbeeld waarin waardigheid steeds makkelijker wijkt voor bruikbaarheid.
En laten we onszelf daarbij niet overslaan. Ook wij kunnen de ander gaan zien als lastig, nuttig, hinderlijk of bedreigend. Ook wij kunnen controle belangrijker maken dan ontmoeting, gelijk belangrijker dan begrip, veiligheid belangrijker dan waarheid.
De beschaving begint waar wij weigeren daarin mee te gaan. Waar een kind niet eerst een probleem hoeft te zijn. Waar een oudere niet wordt afgeschreven als last. Waar een lichaam geen lokaas is. Waar een mens geen middel is.
Geen pion. Geen grondstof. Maar iemand.


Geef een reactie