Leonard Cohen zong het bijna terloops:
“There is a crack in everything, that’s how the light gets in.”
Die zin wordt vaak geciteerd omdat hij troost biedt. Maar hij zegt ook iets ongemakkelijks. Niet dat alles uiteindelijk goed komt. Niet dat gebrokenheid verdwijnt. Wel dat juist waar iets scheurt—waar het niet meer klopt—iets anders zichtbaar kan worden.
Dat is geen optimisme. Het is realisme.
In een eerdere column schreven wij over Randy Newman’s Let’s Drop the Big One: een lied waarin gekwetstheid omslaat in macht—de reflex om te vernietigen wanneer we ons niet gezien voelen. Een herkenbare beweging, niet alleen in de wereldpolitiek, maar ook in onszelf. Cohen begint elders. Niet bij de explosie, maar bij wat daarna overblijft: de barst die zichtbaar wordt wanneer controle niet langer werkt.
Cohen wist waar hij over zong. Hij kende succes en bewondering, maar ook depressie, twijfel en terugtrekking. Jarenlang zocht hij de stilte van zen en oefening—niet om iemand anders te worden, maar om te leren verdragen wat er al was. Zijn spiritualiteit ging niet over ontsnappen, maar over blijven. Over uithouden, tot het leven weer van binnenuit ging spreken.
Misschien is dat waarom dit lied zo raakt. Het gaat niet over perfectie, maar over ruimte.
De overlever wil de barst dichten
In het dagelijks leven vermijden we barsten liever. We willen sterk zijn, controle houden, doorgaan. Doet iets pijn, dan zoeken we snel oplossingen om die pijn niet te hoeven voelen. We verklaren, analyseren, repareren.
Dat is begrijpelijk. In ons innerlijk bestaat een deel dat precies daarvoor bedoeld is. In ons werk gebruiken wij het beeld van een innerlijk gezin: een authentiek deel dat ervaart en verlangt, een overlever die beschermt wanneer het langdurig te spannend wordt, en een innerlijke volwassene die kan zien wat er gebeurt en kan handelen.
De overlever heeft een belangrijke taak: ons veilig houden. Maar hij heeft ook een neiging: hij wil de barst sluiten. Het moet weer kloppen. Weer beheersbaar worden.
En juist daar gaat het vaak mis.
Want sommige barsten ontstaan niet omdat er iets fout ging, maar omdat iets niet langer verborgen kan blijven. Omdat een leven dat alleen op controle is gebouwd te smal wordt voor wat geleefd wil worden.
Het licht komt niet ondanks de barst, maar erdoorheen
Cohen draait het perspectief om. De barst is geen probleem dat opgelost moet worden. Het is een opening.
In boeddhistische taal: het moment waarop we ophouden te vechten tegen wat er is. Niet passief, maar aanwezig. Niet wegvluchten, maar blijven—en merken dat je even niet “oplossing” hoeft te zijn, maar ademhaling.
Misschien raakt dit aan iets diepers: het besef dat wie wij zijn niet samenvalt met onze gedachten, rollen of pogingen het leven te beheersen. Dat er een binnenkant is die niet gemaakt hoeft te worden, maar zichtbaar wordt wanneer we stoppen met onszelf te verbeteren.
Het authentieke deel is wat in ons leeft en verlangt. Bewustzijn als bron is de ruimte waarin dat leven verschijnt. Wanneer de druk om iemand te moeten zijn even wegvalt, wordt die ruimte voelbaar—en kan het leven weer doorklinken.
Dat vraagt moed. Want zonder de beschermlaag van controle worden we weer voelbaar—kwetsbaar ook. Maar juist daar verschijnt iets anders: zachtheid, eerlijkheid, verbinding.
Deze song gaat daarom niet over hoop als toekomstbelofte, maar over aandacht in het heden.
Een samenleving zonder barsten
Misschien raakt dit lied ook daarom aan onze tijd. We leven in een wereld met steeds minder ruimte voor imperfectie. Alles moet efficiënt, succesvol, overtuigend zijn. Zelfs rouw, twijfel en tijd lijken productief te moeten zijn. Kwetsbaarheid wordt risico. Twijfel wordt zwakte.
Maar een samenleving die geen barsten meer toelaat, verliest ook haar licht.
Wanneer politiek alleen nog draait om winnen, wanneer systemen alleen nog meten en controleren, ontstaat dezelfde beweging als in onszelf: de overlever neemt het over. Angstverhalen worden leidend, en levendigheid verdwijnt naar de achtergrond.
Cohen zingt daar niet tegenin met een groot gebaar. Hij wijst op iets eenvoudigs: dat het leven zelf al door de scheuren heen spreekt.
Misschien begint heling—persoonlijk én maatschappelijk—niet bij het herstellen van wat gebroken is, maar bij het toelaten dat we niet af zijn.
En misschien is dat wat Cohen bedoelde: dat we niet hoeven te wachten tot het leven heel is, voordat we het kunnen liefhebben.
Soms is het genoeg om stil te worden, de barst niet meteen te vullen—en te merken dat er al licht naar binnen valt.
Rob van Boven (1951) is psycholoog en geregistreerd psychotherapeut. Hij was consultant voor verschillende organisaties (drugs en verslaving counseling, vaardigheden workshops) en werkte vijftien jaar als een behandelingscoördinator in een psychiatrische instelling. Bij Rob van Boven wordt het geloof van de overlever bewust gemaakt en een juiste plaats gegeven. Het doel is om los te komen van de dwang van het geloof en bewustzijn te ontwikkelen naast deze denk- en voelpatronen. Hoe meer je van het geloof van de overlever bevrijd bent, zonder het te bestrijden, maar door het de juiste plek te geven, hoe vrijer je kan leven.
Luuk Mur ( 1952) is psycholoog en heeft een drietal boeken geschreven over de door hemzelf ontwikkelde hulpverleningsmethode communitysupport. Hij is lid van de Dzogchen Community Nederland. Dzogchen is een vorm van Tibetaans boeddhisme waarbij veel belang wordt gehecht aan de ontwikkeling van individueel bewustzijn. Bij deze traditie streeft men naar non-dualiteit van het bewustzijn. Mensen zijn zich niet alleen bewust ( je weet dat je dit leest), maar je kunt je ook bewust zijn van dit eerste bewustzijn. Dit meta-bewustzijn wordt ‘gewaarzijn’ genoemd.


Geef een reactie