Vandaag is het Pasen; afgelopen zondag vierde het orthodoxe christendom van de Byzantijnse kerk het paasfeest. Het is het belangrijkste feest voor christenen waarop de dood en opstanding van Christus wordt gevierd. Bij het orthodoxe paasfeest hoort de icoon van de afdaling van Jezus in de onderwereld. De opstanding wordt afgebeeld als het verrijzen van Christus uit het graf terwijl hij wordt omringd door engelen. Christus is afgebeeld met in zijn rechter hand een staf met een vaandel. Op dat vaandel staat een kruisteken, teken van de over winning op de dood. Christus vertrapt met zijn voeten de poorten van de hel en trekt Adam uit zijn graf omhoog. Daarachter wachten Eva, koning David en Mozes op redding uit de onderwereld. Het zijn de gelovigen uit de tijd van vóór Christus, die uit het dodenrijk opstaan en weer tot leven worden gewekt. Deze betekenis van het paasfeest, redding uit de onderwereld of de hel is levend in de Byzantijnse kerk, in de Latijnse kerk is dit beeld op de achtergrond geraakt en vrijwel vergeten.
In de Latijnse, westerse kerk staat een ander verhaal van de opstanding centraal. Dat van de drie vrouwen die drie dagen na de begrafenis van Jezus naar zijn graf gingen en bij aankomst tot hun grote ontsteltenis zagen dat de steen voor het graf was weggerold en het graf leeg. De schilder Jan van Eyck heeft dit tafereel van de drie Maria’s met de engel aan het graf geschilderd. Maria Magdalena, Maria, de moeder, de derde Maria is niet duidelijk. Het schilderij hangt in Boijmans van Beuningen. Een engel vertelde hen dat Jezus was opgestaan. Voor christenen is de dood vanaf dat moment niet meer het einde van het leven, maar de overgang naar een eeuwig bestaan na de dood, zonder pijn en verdriet. We zijn dan over het lijden heen. Het paasfeest valt in de lente, het is het feest van een nieuw begin, waarin ook de natuur weer tot nieuw leven komt. Pesach, de herdenking van de vlucht van het joodse volk uit Egypte, valt in dezelfde periode.
We leven in West-Europa dat geworteld is in de joods-christelijke cultuur. De meesten van ons zijn opgegroeid in een christelijke traditie of joods-christelijke omgeving. Ik zelf heb een katholieke achtergrond. Zo’n opvoeding en de culturele invloeden draag je met je mee. Ondanks het feit dat ik al op jonge leeftijd het geloof achter me had gelaten, maar via het boeddhisme leerde ik het christendom weer met nieuwe ogen te zien. In bijbelverhalen ligt zoveel verborgen wijsheid, die je herkent als je er met nieuwe ogen naar kijkt. De hernieuwde kennismaking maakte dat ik elementen leerde herwaarderen. De paastijd, die tot Pinksteren voortduurt, staat in het teken van de opstanding uit de dood en de verrijzenis.
Voor Ton had de paasicoon van de orthodoxe traditie een speciale betekenis, want het raakte aan het centrale thema dat hij zijn leven lang heeft uitgedragen: niemand kan eruit vallen. Ton liet zelfs een aparte icoon schilderen waarbij, anders dan in de oorspronkelijke icoon, Adam en Eva tegelijk uit de hel worden verlost. In zijn teisho’s benadrukte Ton ook altijd een regel uit een Hymne van de paasdienst, die luidt: O felix culpa, o gelukkige schuld. Het wilde zeggen dat het lijden en de dood van de Christus een nog groter mysterie blootlegde, namelijk dat het de weg vrij maakte voor de vergeving van de erfzonde, de vergeving van het falen van de mensheid, waardoor iedereen wordt verlost. In het Latijnse christendom is de vergeving beperkt tot de erfzonde; de eeuwige hel is altijd blijven bestaan. Dit is een groot contrast met de orthodoxe ritus, waarin aan het einde der tijden iedereen wordt bevrijd uit de onderwereld.
Ton had het in zijn teisho’s vaak over het vroege christendom, waar vóór de scheuring (1054) en het uiteen vallen in een westerse en oosterse kerk, het beeld van de apokatastasis bestond. Het is het geloof in de voltooiing van de eindtijd waarin iedereen, zelfs de duivel opgaat in de glorie van de eeuwige oneindigheid. In het oosterse christendom is dit levend gebleven. Iedereen wordt gered en dat verlangen komt voort uit het diepe besef van de onderlinge solidariteit en het verantwoordelijkheids-gevoel voor de hele schepping (verwantschap met met pratītya-samutpāda) want, hoe kan er een volmaakte voltooiing zijn als er een hel is? vraagt een personage zich af uit de roman van de Gebroeders Karamazov van Dostojevski “Iedere ziel, zondig of niet zal het geluk ontvangen, waarnaar hij of zij altijd verlangd heeft.” Het is een fundamenteel verschil met de notie van de hel in het westerse christendom.
In het Latijnse christendom is het afschrikwekkende beeld van de hel altijd blijven bestaan. In het westerse christendom is ieder mens zelf verantwoordelijk of hij wel of niet mag delen in de glorievolle voltooiing van de eindtijd. De hel is er voor de ‘verdoemden’. Als kind hoorde Ton dit al vanaf de preekstoel van de katholieke kerk met een tekst over Judas die luidde: “het ware beter geweest dat deze mens nooit geboren was” en “verdwijn vervloekte in het eeuwige vuur, waar vlammen nooit doven”. Hij had er als kind slapeloze nachten van en tot op hoge leeftijd is hij altijd blijven bidden voor Judas, Hitler, Stalin, de Satan en alle anderen. Hij kwam in opstand tegen de God, die zoiets goedkeurt en hij bad voor alle verlorenen. En juist daarom dacht hij lange tijd, dat hij zelf ook verdoemd zou zijn. Maar dat liep anders, want rond zijn vijftigste jaar ontdekte hij dat, nadat hij alles van zich had afgeworpen en vertrapt, hij er niet uit kon vallen. Hij deed de ontdekking dat niemand, maar dan ook niemand verloren gaat en het is zijn levenswerk geworden om deze boodschap te blijven verkondigen.
Ton ontdekte de werking van vergeving en een andere kracht die werkzaam is in het grotere perspectief waarbinnen ook onze meditatie plaatsvindt. Hij ontdekte dat in de paasicoon én in het verhaal dat in de oosterse kerk bestaat over de Moeder Gods die bij het Laatste Oordeel over de verlorenen en de geredden, een tocht maakt door het lijden in de hel. In de viering met alle mensen en engelen vraagt de Moeder Gods, wat er gebeurt met degenen die in de hel zijn? Aanvankelijk blijft God immuun voor haar woorden. Maar de moeder Gods daalt af in de hel om ook die mensen te bevrijden en te laten delen in de vreugde.
Ton achterhaalde de oorsprong van dit verhaal dat was afgeleid van het verhaal van KuanYin, oermoeder van al wat is, bodhisattva van het grenzeloze mededogen Zij die luistert naar de noden van de wereld en niet rust totdat iedereen zonder uitzondering is gered. Tot haar kun je je wenden en de pijn en wanhoop bij haar neerleggen. Ze belichaamt de dagelijkse gelofte van iedereen die zich verbonden voelt met alles wat leeft: Hoe talloos de levende wezens ook zijn, ik beloof ze allen te bevrijden.
Het sluit aan bij een andere tekst die Ton veelvuldig als opdracht schreef voor mensen die zijn boeken aanschaften:“All shall be well and all will be saved, and sin is behovely” van Juliana of Norwich, een Engelse mystica uit de middeleeuwen, de zonde hoort erbij, zegt ze! Maar de zonde wordt ons kwijtgescholden en vergeven O felix culpa, het is een groter mysterie; dat van de vergeving. Voor iedereen is er vergeving. Dat kan ook niet anders, want we zijn één. Het is het geloof dat alles veel groter is dan wij met ons beperkte kennis kunnen bevatten. Het is een dimensie erbij; het is de genade van de paastijd. Dit heeft Ton zijn leven lang uitgedragen.
In zijn teisho’s had Ton het vaak over zijn eerste ontmoeting in de jaren zeventig met de Japanse zenleraar Masao Abe. Hij sprak over een tragische gebeurtenis in zijn leven, die in die periode van zijn leven een grote rol speelde. Masao Abe had hem verzekerd dat als hij werkelijk wilde helpen: If you really want to help her, no, if you want to save her, sit deeply in meditation. Even if you are all alone, even if you lost all your friends, sit in meditation. You can save her. Wat jij voelt in jezelf, zei hij: zelfs als God zou openbaren dat het onmogelijk is, dan wordt het mogelijk.
Wat uit het diepste van je hart komt, is altijd mogelijk. Daar, zo’n vijftig jaar geleden is de weg ooit voor Ton begonnen. Tegenwoordig is voor de meesten onder ons de hel een abstracte metafoor voor de duiding van het kwaad of de ondergang. Voor veel christenen is het nog steeds een angstaanjagend perspectief Daar kan het voor ieder van ons beginnen, te zitten met het verlangen naar het onmogelijke! Al zou de hele schepping in de hel geloven, als jij blijft geloven in de verlossing van zelfs de meest verlorenen dan blijven genade en vergeving bestaan. En ook jij blijft gespaard en kunt er niet uit vallen.
Vorig jaar rond deze tijd werden Marja en ik door een vriendin uitgenodigd voor de orthodoxe paasviering van haar gemeenschap in Brussel. Het is een dienst die zo’n vier uur duurt met een louterend vuur aan het begin van de dienst en water dat tegen het einde van de dienst gewijd wordt. Na afloop van de viering is er een agape, een oud christelijk term die gebruikt wordt voor de gezamenlijke maaltijd. Agape is Grieks en staat ook voor de onvoorwaardelijke liefde van God voor alle mensen. Tegen het einde van de dienst loopt de priester zeven maal in de kerk rond terwijl hij voortdurend vol vreugde de woorden: Christus is verrezen, hij is waarlijk opgestaan uitroept. Christ est ressuscité, il est vraiment ressuscité. Zijn rondgang wordt gevolgd door een moment dat alle aanwezigen de vredeskus geven, eerst aan degenen die rondom en de nabije omgeving zitten maar dan ontstaat er een moment waarop iedereen in de kerk door elkaar heen loopt, elkaar daarbij omarmend en kussend en elkaar toesprekend met de woorden: Christus is verrezen, hij is waarlijk opgestaan. Christ est ressuscité, il est vraiment ressuscité. Het is een emotievolle explosie, een kakofonie van vreugde, kortom een vrolijke boel. Voor Ton was het ieder jaar een dilemma om wel of niet naar een orthodoxe paasviering te gaan. Hij wilde graag, maar werd bij voorbaat al nerveus bij het beeld van die explosieve vreugde.
De paasviering is de expressie van de redding uit de onderwereld: je kunt er niet uitvallen. Het was een persoonlijke ervaring, die Ton zijn leven lang uit bleef dragen. Hij deed dat ook toen hij een keer meeging naar de gevangenis, waar ik in die tijd als geestelijk verzorger werkzaam was. Ik had hem gevraagd een teisho te houden. Er was veel reclame gemaakt en de stilteruimte puilde uit. Iedereen wilde die man weleens met eigen ogen zien en horen. De mannen hielden niet op vragen te stellen, er werd geluisterd, ze voelden zich gezien, er was aandacht, balsem voor de ziel.
Zolang wij onvoorwaardelijk niet kunnen aanvaarden dat er iemand uit kan vallen en zolang we solidair zijn met alle anderen, zal het niet gebeuren! Dit doet iets met ons. We zijn allen verbonden in het net van Indra. Het grote net waarin iedereen is opgenomen en ieder mens een eigen plek heeft. We hebben allemaal onze eigen dharmaplek in deze wereld. We doen er allemaal toe in deze wereld. We zijn er om te worden wie we ten diepste zijn en we zijn er voor anderen. En uiteindelijk zal iedereen gered worden. Wij doen dat allemaal samen, en we blijven dat verlangen. We zitten niet alleen voor onze eigen verlossing: we zitten voor de verlossing van alle levende wezens. Dat is ten diepste de betekenis van het paasfeest.
Ik besluit met het verhaal over een uitje, het is een verhaal dat Ton jaren geleden eens vertelde. Het is van Dostojevski en is opgenomen in Meer dan een mens kan doen. Ik heb een foto gemaakt van een schaterende Ton met een ui in zijn handen. Het verhaal gaat als volgt:
Er was eens een vrouw, een gemene heks, maar één keer in haar leven deed ze iets goeds. Op een dag kwam er een jonge vrouw langs met een kindje op haar arm, ze bedelde om wat voedsel. De vrouw voelde deernis met haar. Ze had alleen maar een uitje en dat gaf ze vanuit haar hart.
Ze is altijd lelijk gebleven en toen ze stierf, suisde ze in de afgrond naar beneden. Toen zag ze iets naast haar dat met haar mee naar beneden suisde, het was een uitje aan een touw. Ze grijpt dat uitje vast en ze wordt onmiddellijk door dat uitje omhoog getrokken en ze denkt: goddank, goddank.
Maar wat gebeurt er, andere mensen die ook omlaag suizen zien dat ze naar boven wordt getrokken door dat uitje en ze grijpen zich allemaal aan haar vast.
Dan denkt ze: dat kan niet, straks breekt dat lijntje en ze trapt iedereen van zich af. Dan suist ze opnieuw met een vaart naar beneden.
Dan bedenkt ze zich en zegt: ik moet de mensen dus niet van me aftrappen en met doodsangst laat ze toe, dat er steeds meer mensen aan haar blijven hangen.
Ze trekt ze allemaal mee de hel uit. Het verhaal komt uit de Gebroeders Karamazov van Dostojevski.
Zosima, de starets uit de roman, zegt erbij dat dit hooguit is wat we in het leven doen, we geven hooguit iemand een uitje, meer niet. Maar dat is genoeg, als we maar eenmaal in het compassie kunnen voelen met de ander.


Geef een reactie