Hoe de Boeddha razend populair werd in middeleeuws Europa
Culturele uitwisselingen blijven, net zoals archeologische restanten, vaak lang verborgen onder dikke lagen geschiedenis. Ze worden pas duidelijk na een opgraving, als de buitenste lagen voorzichtig weggeschraapt worden. Op een dag viel ik in onze Antwerpse zendojo bijna van mijn meditatiebankje toen het tot me doordrong dat op exact 500 meter van waar ik zat te mediteren, de botten van de Boeddha bewaard worden.
Dat is, naar aloude zentraditie, zowel waar als niet waar. Het is waar dat in de Sint-Andrieskerk de ruggenwervels bewaard worden van de heilige Josaphat. Het is eveneens waar dat die heilige Josaphat, voor wie de dikke lagen christendom, manicheïsme en islam wegschraapt, een verbastering is van bodhisattva. Josaphat is, in zijn oudste vorm, de Boeddha. Als de beenderen van Josaphat bewaard worden in de Sint-Andrieskerk, dan moeten dat wel de beenderen van de Boeddha zijn. Niet echt natuurlijk, want dit soort relieken is meestal fake. Daarom is ons verhaal zowel waar als niet waar.
Mijn stad is eeuwenlang en vandaag nog steeds een knooppunt geweest van internationale handel, intellectuele, culturele en artistieke uitwisseling. Heel lang trokken pelgrims naar de stad om er – jawel – de voorhuid van Christus te vereren in de laatgotische Onze-Lieve- Vrouwekathedraal, een kleinood dat uiteindelijk ontvreemd werd. Niet ver daarvandaan ligt de zestiende-eeuwse Sint-Andrieskerk, waar zich, naast het barokke hoogaltaar en ander fraais, ook het zilveren reliekschrijn van de 36 heiligen bevindt. De relieken hebben een lange reis afgelegd. In 1571 schonk de doge van Venetië ze aan de Portugese koning en vanuit Portugal reisden de relieken naar Spanje en Parijs om uiteindelijk rond 1633 in Antwerpen terecht te komen. Bij die relieken bevonden zich ook enkele ruggenwervels van Sint-Josaphat.
In heel Europa wist iedereen wie Sint-Josaphat was, want zijn verhaal was razend populair, werd in bijna alle Europese talen vertaald, bezongen door minnestrelen en druk gelezen in talrijke publicaties. Het was een van de belangrijkste christelijke bekeringsverhalen. Het verhaal vertelt dat er in het oude India een heidense koning leefde. Bij de geboorte van zijn zoon, Josaphat, werd hem voorspeld dat die een belangrijke religieuze toekomst te wachten stond. Bevreesd dat zijn zoon zich zou bekeren tot het christendom, sloot de koning hem op achter de streng bewaakte paleismuren, ver weg van ongemakken en religieuze beïnvloeding. Op een dag slaagde Josaphat erin om het paleis te verlaten en zag hij voor het eerst een melaatse, een blinde en een oude man. Hij werd diep geraakt door het lijden in de wereld en begon zich vragen te stellen over het leven en de dood. Daarop ontmoette Josaphat de kluizenaar Barlaam en besliste hem te volgen om een vroom en contemplatief leven te leiden en afstand te doen van zijn troon.
Klinkt bekend?
In het Middelnederlands werd het verhaal van Barlaam en Josaphat opgenomen in de Spiegel Historiael, een historiografisch werk, geschreven in de dertiende eeuw door Jacob van Maerlant en later voortgezet door andere auteurs. We lezen er onder de titel ‘Hoe Josaphat sijn rike opgaf’ hoe hij de kluizenaar Barlaam ontmoet:
‘Mi conste niet verholen sijn dat ghi in scone deughden voort sijt gegaen, ende dat ghi met den genade Gods rechtveerdicheit beghint te minnen. Ende oock weet ic wel dat ghi begeert tot eenre hogere staet te comen. Nu is te weten dat die staet die ghi soeert te becomene, en is niet anders dan de ghebrukenisse van der werlt verlaten, ende volcomen leven in contemplacien ende in stedegher devocien.’
(Het kan voor mij niet verborgen blijven dat je schone deugden hebt ontwikkeld en dat je, met Gods genade, rechtvaardigheid begint lief te hebben. Ik weet ook dat je ernaar verlangt in een hogere staat terecht te komen. Welnu, weet dan dat de staat waarnaar je streeft, niets anders is dan het verlaten van wereldse beslommeringen en een volmaakt leven te leiden in contemplatie en standvastige devotie.)
Het masterverhaal voor deze vertelling is meer dan duizend jaar eerder geschreven in het noorden van India, met name in de Mahayana Lalitavistar sutra – letterlijk: de sutra van het uitgebreide en glorieuze leven van de Boeddha – die een sterk gemythologiseerd en hagiografisch beeld schetst van het leven van de Boeddha. De Lalitavistara sutra is de literaire voorouder van de Josaphatlegende. Eerst moest het verhaal over het leven van de Boeddha door de molen van de geschiedenis gaan. Het verhaal trok westwaarts via Perzië en werd in de achtste eeuw in Bagdad naar het Arabisch vertaald als Kitab Bilawhar wa Yudhasaf, het ‘Boek van Bilawhar en Yudhasaf’. ‘Yudhasaf’ is de Arabische variant van het Middelperzische ‘Budhasaf’ of ‘Bodisav’, dat op zijn beurt een verbastering is van bodhisattva.
In het Arabische verhaal volgt Yudhasaf de leer van een profeet die ‘Al Budd’ wordt genoemd, een arabisering van ‘Boeddha’. Dat is merkwaardig, want beiden zijn dezelfde figuur. ‘Yudhasaf’ verwijst hier naar de jonge prins en ‘Al Budd’ naar de Boeddha die hij later zou worden. In deze tekst zijn er nog sporen terug te vinden van de Boeddha, maar die verdampen als het verhaal in de tiende en elfde eeuw verhuist naar Georgië en Griekenland om vanaf de elfde eeuw, nadat het in het Latijn was vertaald, een spectaculaire opmars te maken in heel Europa. Het Sanskriet bodhisattva is ‘Budhasaf’ geworden, daarna ‘Yudhasaf’ om definitief gekerstend te worden tot ‘Iosaphat’ en ‘Josaphat’.
Pas in 1859 zou de Franse geleerde Edouard Laboulaye (1811-1883) de merkwaardige overeenkomst ontdekken tussen de legende van Josaphat en het leven van de Boeddha. Dat was niet geheel toevallig. Boeddhistische manuscripten, zoals de Lalitavistara sutra, wekten in de negentiende eeuw de belangstelling van de intellectuele kringen waartoe Laboulaye behoorde. In tegenstelling tot christelijke intellectuelen, die h et christendom als superieur beschouwden en een missionaire, koloniale drang hadden om dat verhaal wereldwijd te verspreiden, was Laboulaye een vrijdenker die niet geplaagd werd door een christelijk superioriteitsgevoel. Voor Laboulaye was de vaststelling dat een van de allerbelangrijkste Europese, christelijke bekeringsverhalen gebaseerd was op het leven van de Boeddha helemaal geen ongemakkelijke waarheid. Dat was zeker wel het geval voor de katholieke elite van die tijd, die weliswaar nooit een openlijke polemiek zocht, maar de bevindingen van Laboulaye gewoon doodzweeg.
Nochtans is Laboulayes ontdekking ongemakkelijk blijven borrelen in katholieke middens. Barlaam en Josaphat werden in de rooms-katholieke kerk eeuwenlang als heiligen gevierd, met hun feestdag op 27 november. Maar in 1969 werden ze op wonderbaarlijke wijze en in alle stilte uit de universele liturgische kalender geschrapt. Hun feestdag wordt sindsdien niet meer liturgisch gevierd, precies vanwege het twijfelachtige historische karakter van hun verhaal. Nu ja, erg twijfelachtig is het niet. Josaphat is de Boeddha en zijn beenderen liggen in de kerk, net om de hoek van onze zendojo.
Dit verhaal berust op een toevallige samenloop van omstandigheden, met name de auteur die stomweg terechtkomt in een dojo in Antwerpen en ontdekt dat er vlakbij een razend interessant verhaal te rapen is. Er zijn in dit verhaal nog prettige vaststellingen. Laboulaye wordt beschouwd als de vader van het Vrijheidsbeeld in New York. Hij is er de bedenker van en inspireerde zijn vriend, de beeldhouwer Frédéric Auguste Bartholdi, om het ontwerp te maken. Hij mobiliseerde in Frankrijk steun voor het project en speelde een sleutelrol in het oprichten van het Frans Comité voor het Vrijheidsbeeld in 1875, dat fondsen inzamelde voor de constructie van het beeld. Voor Laboulaye was het Vrijheidsbeeld een boodschap tegen tirannie en voor de republikeinse idealen en democratische waarden. (…)


Geef een reactie