Saṃvega verwijst in de vroeg-boeddhistische sutta’s naar de ontreddering die ontstaat wanneer werkelijk wordt gezien hoe fundamenteel vergankelijk (anicca; anitya), onbevredigend (dukkha; duḥkha) en ongrijpbaar (anattā; anātman) het bestaan is. Het is geen depressieve reactie, maar een helder inzicht dat de vanzelfsprekendheid van het bestaan ondergraaft.

