Zoeken naar de geest in de machine.
‘Hebben wij een vrije wil, Hans?’
‘Eerst maar eens vaststellen of we een wil hebben.’
‘Hebben wij een wil?’
‘Heeft een auto een wil?’
‘Wat?’
‘Waar in de auto zit de wil om te rijden? In de tank? In de motor? In de wielen?’
‘In de chauffeur natuurlijk.’
‘Waar in de mens zit de wil?’
‘Wat een vraag.’
‘Als de stemming erin zit, waar zit die dan in?’
‘Wanneer?’
‘Op een feestje, in een café.’
‘Dat is een wijze van spreken.’
‘Iemand een wil toedichten niet?’
‘De wil is reëel.’
‘Waar in de lucht zit de wil om te waaien?’
‘Dat is een kwestie van druk.’
‘Waar in de steen zit de wil om te vallen?’
‘Dat is een kwestie van zwaartekracht.’
‘Waar in de plant zit de wil om naar het licht te keren?’
‘Dat is een kwestie van turgor.’
‘Waar in de bacterie zit de wil om zich te vermenigvuldigen?’
‘Kunnen we het niet over hogere wezens hebben?’
‘Waar in de geit zit de wil om melk te geven?’
‘Dat is een kwestie van hormonen.’
‘De wil niet?’
‘Nou ja, een beetje misschien.’
‘Wat is de functie van de wil volgens jou?’
‘Handelen.’
‘Waar in de mens zit de wil om te handelen?’
‘Waarom moet je zo nodig weten waar de wil zit?’
‘Misschien wordt hij dan wat minder abstract.’
‘Misschien kun je de wil nergens vinden omdat je hem bent.’
‘Misschien kun je de wil nergens vinden omdat hij nergens is.’
‘Misschien kun je de wil nergens vinden omdat hij overal is.’
‘Misschien kun je de wil overal vinden omdat het een idee is.’
‘Misschien is dat ook maar een idee.’
‘Misschien is dat ook maar een idee.’
‘Dus volgens jou heb ik geen vrije wil?’
‘Misschien is dat ook maar een idee.’
‘Hè?’
‘Wat?’
‘Bedoel je dat ik toch een vrije wil heb?’
‘Eerst maar eens vaststellen of je een ik hebt.’

