‘Niet in de vrije wil geloven is net zoiets als niet in de zwaartekracht geloven, Hans.’
‘Geloof jij daar dan in?’
‘Ik kan me zo op de grond laten vallen als ik dat wil.’
‘Mensen vielen al voordat de zwaartekracht werd bedacht.’
‘Wou jij beweren dat de zwaartekracht niet bestaat?’
‘Zwaartekracht is een verklaring achteraf voor wat toch wel gebeurt.’
‘Het gaat erom dat ik me uit vrije wil laat vallen.’
‘Mensen lieten zich al vallen voordat de vrije wil werd bedacht.’
‘Vrije wil is een verklaring voor wat toch wel gebeurt, wou je zeggen.’
‘Verklaren is ook wat toch wel gebeurt.’
‘Dus?’
‘Dus.’


