Bij de Zen Peacemakers is niet-weten een bejegeningsideaal, bij Jan Oegema een levenshouding, in de mystiek een wachtkamer voor God, in het bedrijfsleven een managementmethode. Wat is niet-weten nou echt?

 

Een radicaal niet-weten

 

Ieder woord van iedere taal betekent voor ieder wezen – mens, paard, hond, vis – iets anders, of gewoon niets. Soms zijn de verschillen klein, soms zijn ze onoverbrugbaar groot. Soms zijn we ons van de verschillen bewust, dikwijls blijven ze onder de radar, waardoor we ten onrechte denken dat we elkaar verstaan of misverstaan, dat we het eens zijn of juist oneens.

Ook niet-weten betekent voor iedereen iets anders. Voor sommigen is het openheid, een onbevooroordeelde blik, medemenselijkheid; voor anderen is het een weg naar God of het onverdeelde zelf, de non-dualiteit. Voor de een is het een middel, voor de ander is het een doel. Voor de taoïst is het wijsheid, voor de theravadin onwetendheid.

Voor mij is niet-weten gewoon niet weten. Met je mond vol tanden staan. Dat je het allemaal even niet meer weet, je kent dat wel – maar dan chronisch.

Niet-weten is geen doen. Het is ook geen laten. Het is geen zelf en geen niet-zelf. Het is geen ideaal, geen middel, geen weg en geen doel. Het is niet juist en niet onjuist. Het is nergens goed voor en het is nergens slecht voor, niet van zichzelf, niet dat ik weet.

Integendeel, denken in termen van tegendelen zoals goed en slecht, juist en onjuist, weg en doel, ideaal en middel, zelf en niet-zelf, doen en laten, weten en niet-weten, behoort helemaal tot het weten. Net als deze tekst. Ik kan het ook niet helpen.

Om het verschil met alternatieve betekenissen van ‘niet-weten’ te benadrukken, noem ik het mijne weleens een radicaal niet-weten, kortweg agnose (a-gnose). Dit laatste woord speelt in het Nederlands nauwelijks een rol en heeft van concurrerende betekenissen nog weinig te duchten. Ik kom er zo op terug.

 

Niet-weten als tussenstadium

 

In de mystiek, vooral bij Johannes van het Kruis, is niet-weten een praktijk van bidden, meditatie en contemplatie om je te ontledigen van al je zelfbeelden en godsbeelden, want die staan tussen jou en de allerhoogste in.

Ook verwijst niet-weten er naar de dorre tussentijd waarin je beeldloos afwacht totdat God, wie of wat dat ook moge wezen, zich eindelijk aan jou openbaart, wie of wat jij ook mag wezen.

Erg aangenaam schijnt deze toestand niet te zijn. Johannes van het Kruis noemt het de donkere nacht van de ziel, een kwelling waaraan voor een enkeling een einde komt in de mystieke vereniging met de beeldloze.

Het radicale niet-weten waarvan ik getuig is geen wachtkamer (martelkamer, verloskamer) maar een gelagkamer (rustkamer, speelkamer). Geen tussenstadium maar een eindstadium waarin je je gedachten doorziet, een voor een, dan breekt het lijntje niet. Dus ook de gedachte van niet-weten als een eindstadium waarin je je gedachten een voor een doorziet. Alsof dat mogelijk zou zijn. Alsof het wenselijk zou zijn.

Aan een radicaal niet-weten komt géén einde in de mystieke vereniging met de beeldloze. Agnose is zelf al de mystieke vereniging. Een vereniging zonder bestuur en zonder leden. Een en al mysterie, zonder tal of taal of teken, niet te claimen, niet te faken. Ook dit is maar een beeld. Agnose is helemaal het einde, ook van niet-weten, ook van beeldloosheid, ook van het mysterie en zelfs van het einde, dus dat scheelt. Leve de lege statuten.

Voor mij is niet-weten geen kwelling. Wéten was de kwelling, als we dan per se in dit soort termen moeten denken. Wel ben ik door het verlies van mijn twijfelachtige zekerheden flink in de rouw geweest. Vaak stonden de tranen in mijn ogen of liepen ze over mijn wangen zonder dat ik er erg in had.

Agnose is een bad dat snel volloopt maar langzaam warm wordt, zou je kunnen zeggen. Het vertrouwen dat je in dit bodemloze tepidarium niet zult verdrinken, moet groeien. Zolang je er niet volledig op vertrouwt, kun je je er niet volledig in ontspannen. Dat kost tijd, jaren in mijn geval, ik was ook zo’n ontzettende weetal.

Tegenwoordig balanceer ik vaak uren achtereen op het randje van de euforie, ongelooflijk. Maar ik zit dan ook al tien jaar in bad. Euforie bewijst natuurlijk niks, je kunt overal van uit je dak gaan – van Jezus, van Hazes, van Krishna, van Callas, van Boeddha, van Beckett, van genot, van pijn, van kopen, van wegdoen, van woorden, van stilte – maar lekker is het wel. Bovendien heb ik niks meer te bewijzen, dit ook niet.

Hoe het ook zij, in een radicaal niet-weten ben je niet alleen vrij van onwrikbare zelfbeelden en godsbeelden, zoals de aanstaande mysticus, maar van alle vaste denkbeelden omtrent welk onderwerp ook – mensbeelden, wereldbeelden, boeddhabeelden, heiligenbeelden, ideaalbeelden, schrikbeelden, ziektebeelden, de hele reutemeteut, inclusief je vrijheidsbeelden, inclusief dít vrijheidsbeeld.

Het is niet dat er geen denkbeelden meer zijn, maar dat het geen denk-beelden meer zijn. Radicaal niet-weten is een denkbeeldenstorm die alle denk-beelden aan diggelen slaat, met sokkel en al, de diggelen tot gruis, het gruis tot stof.

Mettertijd luwt de beeldenstorm, maar de wind van niet-weten gaat nooit liggen. Stofhoosjes vormen schijngestalten van voormalige denkbeelden. Oude bekenden, je kijkt er dwars doorheen en ze vallen meteen weer uiteen.

Ook dit is maar een denkbeeld, ik hoop dat je het doorziet.

 

Niet-weten als voorschrift

 

Een heel andere betekenis van het begrip niet-weten vinden we bij de Zen Peacemakers. Voor hen is niet-weten geen tussenstop onderweg naar God, maar een humanistisch bejegeningsideaal. Zen Peacemakers willen de medemens open en onbevooroordeeld tegemoet treden, met ‘een houding van niet-weten.’

Een soortgelijke benadering zien we bij de ietsist Jan Oegema, auteur van De stille stem, die niet-weten een levenshouding noemt, waarvoor je kunt kiezen en waarvoor je zou moeten kiezen. Zijn boek is een pleidooi voor openheid, barmhartigheid en naastenliefde – degelijke oecumenische, boeddhistische en verlichtingsidealen, traditiegetrouw gegrond in de zwevende vooronderstelling van een ik met een vrije wil.

 

Niet-weten als levenshouding

 

Vragen stellen, luisteren, lief zijn voor elkaar, leven en laten leven, ik vind het prachtig allemaal, misschien wat eenzijdig en naïef. Maar net als bij het bejegeningsideaal van de Zen Peacemakers is het mij niet duidelijk waarom deze levenshouding ineens niet-weten moet heten. Wat voegt dat toe, wat neemt het weg, wat haalt het uit? Oude wijn in nieuwe zakken, zegt het spreekwoord onbarmhartig, maar misschien is dat een vooroordeel.

Ook in managementboeken wordt niet-weten opgevat als een houding, een keuze, een methode, een ideaal. Het is, opnieuw, een machtsgreep. De manager krijgt het advies om zijn vakmatige onwetendheid openlijk toe te geven en een beroep te doen op de expertise van de werkvloer. Hij legt niet zijn wil op zoals de bazen van weleer, maar laat zich adviseren door zijn ondergeschikten, die qua knowhow eigenlijk zijn superieuren zijn. Een manager die niet weet, staat in dienst van werknemers die wél weten. Hij dirigeert niet, hij faciliteert, en het bedrijf profiteert. Zo legt de manager indirect toch zijn wil op, of wiens wil het ook mag wezen.

Geen probleem, dat is het punt niet. Het punt is dat er in een radicaal niet-weten bij gebrek aan denk-beelden geen sprake kan zijn van een bejegeningsideaal, een levenshouding of een managementmethode. Ook het meta-ideaal om anderen of het leven zónder idealen, houdingen of methoden tegemoet te treden, vindt in agnose geen onderdak.

Het punt is dat niet-weten geen punt is. Geen aandachtspunt, geen agendapunt, geen aanknopingspunt en geen gezichtspunt. Niet-weten is geen-punt – of het moest een breekpunt zijn. Een nulpunt?

Misschien spreekt deze formulering je aan: in een radicaal niet-weten is er de facto (maar niet de jure) ruimte voor alle denkbare idealen, houdingen en methoden naast elkaar, hoe tegenstrijdig ook, en voor alle denkbare bezwaren tegen alle denkbare idealen, houdingen en methoden, hoe onredelijk ook.*

Net zo is er in een radicaal niet-weten ruimte voor alle denkbare definities van niet-weten, en voor alle claims van wie dan ook als zou een bepaalde definitie de enige juiste zijn, of een bepaald soort niet-weten het enige ware niet-weten, of ieder niet-weten obstinate onwetendheid, of wat dan ook.

Zelf claim ik bij mijn weten niets, dit ook niet. Noem het wat je wilt.

 

* Dit is de gedachte van de volle leer

 

Bron: Idioticon niet-weten

 

Deze tekst maakt deel uit van Zondagskindjes, een serie teksten over niet-weten die geen deel uitmaken van een serie. Illustraties Lucienne van Dam.

 

 

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu