In dzogchen wordt vaak gesproken over de Oorspronkelijke Staat. In andere tradities van het Ongeconditioneerde, het ongeboren, oorspronkelijke Bewustzijn, de Boeddhanatuur, en zo zijn er nog wel een paar kwalificaties. Beoefenaren proberen dikwijls het onbeschrijfbare te beschrijven. Terwijl we (ik ben geen haar beter) niet eens in de buurt van de kern komen met al onze conceptuele en verbale constructies. Willen we graag weten wat ons te wachten staat als we ‘Het’ bereikt hebben (waar doé je het voor)?
Toen Boeddha de Verlichting bereikte en hij nog in innerlijke verdieping onder de Bodhiboom zat, had hij er een probleem mee om zijn ontdekking wereldkundig te maken. ‘Diep,’ zo sprak hij tot zichzelf, ‘en subtiel is wat ik heb gevonden. Het is heilig, verheven, moeilijk te aanschouwen, niet toegankelijk voor het gewone, verstandelijke denken, slechts door wijzen kan het worden geweten, het gaat uit boven het gebied van de zintuiglijke ervaring, men verliest alle vaste grond onder de voeten.’
Gelukkig kwam Boeddha op zijn besluit terug, mede ten gevolge waarvan wij nu in Sangha’s en andere verbanden leren en spreken over deze Staat van Zijn, waarvoor zovele namen en bewoordingen bestaan.
Wellicht overbodig te zeggen dat geen enkele naam of bewoording ook maar in de verste verte toereikend is om deze staat samen te vatten. Ook al hebben wij mensen in samsara daar nog zo’n behoefte aan. Iets om te benoemen, vast te kunnen pakken, op een rijtje te zetten, overzichtelijk en begrijpelijk vast te leggen (het stáát er) en uit te kunnen spreken. Alleen wetenschappelijk aan te kunnen tonen is even erg, zo niet erger.
Kwantummechanisch geïnteresseerden of deskundigen schudden nu het geleerde hoofd. Rustig laten schudden. De essentie van De Staat, zoals ik hem voor het gemak maar even noem, is niet dat er iets aantoonbaars, grijpbaars, meetbaars, onderscheidbaars, leesbaars of zelfs maar aanwijsbaars is, hoe hard er ook geschud wordt. Waarom zou je iets zoeken wat je allang bent? En dat allemaal sinds – zoals ze in dzogchen zeggen – beginloze tijden?
‘Je?’ Ja, in relatieve zin. Je kunt de Staat dus niet aantonen, maar wel ervaren. Er één mee worden, het integreren, realiseren of kies maar een werkwoord uit dat overigens ook op geen enkel wijze recht doet aan genoemde ervaring. Taal loopt hier altijd een dimensie of wat achter.
Hoewel er veel overeenkomsten zijn in de diverse scholastieke richtingen binnen het boeddhisme wordt er ook verschillend gedacht over De Staat. Sommigen zien Nirvana als het hoogst bereikbare, een soort christelijk equivalent van de paradijselijke staat zonder pijn, haat, begeerte en wat er nog meer in het menselijk spectrum bestaat aan bedenkelijke gevoelens. Het hoogst haalbare, niet meer door karmische winden aangeblazen, van het éne lijden in een fysiek lichaam naar het volgende. Verlost van alle begeerte naar begeren. Geen gelijk meer willen hebben over gelijk hebben.
In dzogchen wordt De Staat eveneens benaderd als iets wat het normale menselijke verstand ver te boven gaat.
Dzogchen betekent trouwens: de perfecte staat van zijn.
Ook al niet te begrijpen, uit te leggen, of te meten. Wel te ervaren, maar dat weten we alleen maar van horen zeggen en lezen. Hoe het is, wat het is; niemand weet het verder. De staat waarin geen onderscheid bestaat tussen het éne verschijnsel en het andere. De non-duale staat.
Ongeboren,
maar continuerend, zonder onderbreking,
komend noch gaand, alomtegenwoordig.
Verheven Dharma,
onveranderlijke ruimte, voorbij definitie
spontaan zelfbevrijdend…
Dit zijn een paar regels uit ‘The Song of the Vajra.’ Een oud lied, geschreven in de taal van Oddiyana, ooit gesitueerd in de huidige Swatvalley in Pakistan en waarschijnlijk de bakermat van de leer van dzogchen. Alle kwalificaties die in deze song genoemd worden zijn in feite mantra’s, gerelateerd aan verschillende plaatsen op het lichaam. Niet bedoeld om intellectueel te begrijpen. Ik las de tekst voor aan een bevriend psychiater, die volkomen gericht is op de werking van de hersenen en het centraal zenuwstelsel. Hij vroeg: ‘Maar waarom zou je als een boeddhist gaan leven als je niet eens weet waarvoor je het doet? Iets wat niet te beschrijven of uit te leggen valt, wat ongeboren is, wat onsterfelijk is, wat onmeetbaar of niet-aantoonbaar is… sorry, hoor,’ en hij glimlachte toegeeflijk.
Op zich best wel een redelijk argument trouwens. Waarom volgen we eigenlijk de Dharma? Zelf kreeg ik een herkenningservaring toen ik voor het eerst over boeddhisme en later over dzogchen las. Gaande mijn pad, dat – zoals dat van de meesten – bestond uit twijfel, vallen, opstaan, weer een tijdje verdergaan, enzovoort. Uiteraard had ik ook wel eens die bekende flitsjes van verlichtend inzicht, die de meeste beoefenaren wel kennen. Bij mij beklijven ze trouwens zelden.
Toen ik eens opgetogen naar mijn Lama ging met een verslag van mijn grandioze ervaringen op mijn meditatiekussentje, schopte hij me er nog net niet helemaal naar terug. ‘Val me niet lastig met je egotripperij!’ brieste hij toornig.
Tja.
Vooralsnog denk ik bij momenten van twijfel maar aan de titel van een prachtig boek van Trungpa Rinpoche over tantrisch boeddhisme: ‘Het Pad is het doel.’
Hou ik mezelf hiermee voor het lapje? Zou kunnen. Ik weet het niet. Ik doe dat best nog wel vaak, mezelf voor het lapje houden. Ik eindig maar met de eerste vier regels van het lied over de Weg in The Lord of the Rings:
The Road goes ever on and on
Out from the door where it began
Now far ahead the Road has gone,
And I must follow, if I can…


Henk Diemen zegt
Misschien is het eind het begin en is er geen weg naar toe omdat je er al bent, er is dan ook geen weg terug. Het zijn is daar waar je bent en om je heen en in zijn de veranderingen.