Je bevindt je in een storm. Geen gewone storm, maar een allesverzengende wervelwind die je genadeloos alle kanten op slingert. De ene minuut word je naar boven getrokken, het volgende moment maak je een vrije val naar beneden.
Om je heen vliegt van alles mee in de chaos. Je ziet in de verte een prachtig, warm huis en probeert daar uit alle macht naartoe te bewegen, maar nog voor je de drempel kunt bereiken, blaast de wind je weer een heel andere kant uit. De storm geeft je soms vrienden en familie aan wie je je kunt vasthouden, momenten waarin je samen de wind trotseert. Maar net wanneer je denkt dat je samen sterk staat, trekt de wind onbarmhartig aan jullie en word je weer genadeloos uit elkaar getrokken, alleen de leegte in.
Je reist naar een ver, verlaten vakantiestrand. Het is een prachtige beleving; je voelt de warme zon op je huid en de zachte, kalme bries die je eindelijk wat rust geeft. Je ademt diep in en geniet van de pure schoonheid ervan. Maar hoe mooi het ook is, het houdt geen stand. Langzaam maar zeker trekt de lucht weer dicht, het beeld vervaagt, en de wind steekt onvermijdelijk weer op om je mee te nemen, terug de beweging van de storm in.
Je zweeft mee op een voortdurende stroom van wisselende indrukken en beelden die aan je voorbijtrekken. Soms reik je uit naar een mooie herinnering, een warme gloed van geluk, of het melancholische gevoel van een diep verdriet. Je houdt ze teder vast, zoekend naar een moment van standvastigheid in de beweging. Maar er is hier geen blijvende rust. Al snel merk je hoe deze ervaringen door je vingers glippen. Ze bewegen mee met de wind, net als jijzelf. Ze veranderen waar je bij staat, lossen op als ochtendmist en laten uiteindelijk alleen maar ruimte achter in je geopende handen. Niets houdt zijn vorm, niets blijft tastbaar, en niets heeft een vaste kern om definitief aan vast te houden. Het proberen vast te houden is een vermoeiende reis; elke keer dat je je hand sluit, draagt het de stille wetenschap in zich dat de wind het vroeg of laat weer met zich mee zal voeren.
In je wilde rondgaan in de storm valt je oog opeens op een touw. Het valt je op dat dit touw niet zoals al het andere doelloos rondvliegt. Het wappert weliswaar alle kanten op door de harde windvlagen, maar het zit ergens vast. Je kunt niet zien waar de verankering is, maar dat het ergens stevig verankerd zit, is zeker. Nieuwsgierig pak je het touw vast om jezelf door de storm heen te trekken, op zoek naar de bron. Maar door het heftige gezwiept en gezwaai van het touw verlies je je grip en fladder je weer rond in de chaos.
Maar nu weet je waar het touw is. Nog steeds nieuwsgierig klamp je jezelf er weer aan vast. Met deze ervaring rijker gaat het steeds beter om vooruit te komen. Je leert hoe de wind beweegt en hoe je je krachten moet verdelen. Hoe verder je komt, hoe beter het gaat; je bent sterker en handiger geworden om jezelf langs het touw voort te bewegen. En zonder dat je het doorhebt, begint de storm minder hard te gieren. De eerste kleine beetjes rust kondigen zich ongemerkt aan.
Dan stuiten je voeten plotseling op vaste grond. Het touw blijkt verankerd te zijn in een diepe, veilig kuil in de aarde. Zodra je erin afdaalt, valt de wind weg. Hier is geen wind, geen storm die je van links naar rechts slingert. Hier heerst een volmaakte, serene stilte. Hoe fijn het in de kuil ook is, erin blijven zitten is geen oplossing. De storm buiten raast nog steeds.
Dus je staat op, veilig vast aan het touw, om de elementen weer te trotseren. En wanneer het buiten even te veel wordt, ga je de veilige kuil weer in om uit te rusten en op te laden. Na flink oefenen merk je dat er iets wonderlijks gebeurt: die diepe stilte van de kuil begint langzaam omhoog te trekken in jou. Het blijft niet meer achter in de diepte, maar nestelt zich in je wezen. Hoe verder je komt, hoe zachter het waait.
Je wordt vanbinnen zo stabiel dat je het touw durft los te laten. In het begin niet te lang, want je voelt je al snel weer weggeblazen worden door de resterende wind. Maar beetje bij beetje lukt het je om te blijven staan zonder te wankelen. De storm is inmiddels gekrompen tot niet meer dan een zuchtje. Je laat het touw definitief los en loopt kalm weg.
Na nog een stuk lopen is de wind volledig gaan liggen. Er waaien nog slechts nauwelijks waarneembare briesjes langs je heen. De buitenwereld is een perfecte weerspiegeling geworden van de absolute rust die nu in jou zit.
Ten slotte zie je iets wat lijkt op een grote spiegelmuur. Maar als je dichterbij komt, zie je dat het water is. Zo compleet stil dat het perfect spiegelend is. Je ziet de weg die je hebt bewandeld — het leven in de storm, het touw, de kuil en de strijd. En wanneer je naar jezelf en de weg kijkt, valt alles weg en stap je door het wateroppervlak.


Geef een reactie