Antropologen bestuderen menselijke culturen en de ontwikkeling van de mens als onderdeel van een maatschappij. Deze serie artikelen in het Boeddhistisch Dagblad pretendeert niet volledig te zijn. Over vrijwel ieder thema valt ontegenzeggelijk veel meer te zeggen, en bepaalde zaken komen zelfs niet of nauwelijks aan bod. Voor wie door deze serie in antropologie geïnteresseerd raakt, is er meer dan genoeg boeiende, verdiepende literatuur te vinden.
Dana is een belangrijk begrip in het Boeddhisme. Het betekent zoiets als vrijgevigheid en dat is met name belangrijk voor de spirituele praktijk. In allerlei boeddhistische en hindoeïstische tradities staat het voor geven, liefdadigheid, en het beoefenen van deze deugden is in deze religies noodzakelijk voor het toegekend krijgen of verwerven van geestelijke verdiensten.
Maar, denk ik dan, als je vrijgevig bent met in het achterhoofd de gedachte dat je er iets voor terugkrijgt, ooit, is het geen Dana! Vrijgevigheid is pas ‘vrij’ wanneer het geven volkomen los staat van welk idee van wederkerigheid dan ook. Dana is geven om te geven, zonder dat er iets tegenover staat. Dana is mijns inziens pas Dana wanneer het vrij is van iedere gedachte in de trant “als ik geef, dan …”. Er is geen DAN.
Laten we Dana eens vergelijken met het geven van aalmoezen. Volgens Wikipedia is een aalmoes ‘een vrijwillige gift (geld, voedsel, goederen) aan een behoeftige, vaak vanuit liefdadigheid of religieuze plicht, voortkomend uit medeleven of barmhartigheid’. Lees verder: ‘het kan ook een minachtend gebruikt gebaar zijn voor een onvoldoende of denigrerende gift.’ Dana kan nooit een minachtend gebaar zijn, en het gaat veel verder dan het geven van geld, voedsel of goederen. Het duidelijkst wordt dat door te stellen dat Dana in de eerste plaats inhoudt: het geven van jezelf!
Je geeft iets, om niet, omdat je geeft. Daar zit altijd iets van jezelf in: je hart. Je geeft van harte. Onvoorwaardelijk. Je geeft iets – en dat hoeft geen geld te zijn – omdat je het de ander gunt. Niets meer en niets minder. Zodra daar een sprankje van verlangen bij zit toch ooit iets terug te krijgen, al was het maar een ‘dankjewel’, is het eigenlijk geen zuivere Dana meer. Dit is niet alleen een kerngedachte in het boeddhisme, maar ook van het christendom: lees Mattheus 6:3. Daarbij gaat het ook om helpen. Het zegt: vergeet zelf dat je iemand hebt geholpen! Het gaat bij Dana niet om vergroten van eigendunk (‘wat ben ik toch een goed mens!’) of om stapelen van aan jezelf gegeven complimentjes (‘goed gedaan, puntje erbij’) maar om het moment en de daad zelf. Je helpt omdat jij kunt helpen. Je geeft omdat jij kunt geven.
De Islam kent het begrip ‘Zakat”. Dat is een religieus verplichte daad of gift van barmhartigheid. Mooi. Maar zodra Dana uit verplichting wordt gegeven of gedaan, is het geen Dana meer, maar een opgelegd goed-doen. Je kunt Dana niet ‘opleggen’. Aan niemand.
‘Bakshish of bakshees (Perzisch, Midden-Oosten, India, Balkan) betekent fooi, aalmoes of klein geschenk. Het komt qua betekenis in de buurt van ons begrip ‘fooi’. Het geven van een fooi is geen Dana. Waarom niet? Omdat het in zekere zin door de een verwacht wordt en voor de ander een verplicht iets is. Je hoort gewoon een fooi te geven om te bedanken voor een verleende dienst. En als je een bedelaar een Euro in de hand of hoed gooit, is dat vaak ook een soort (goedkope) afkoopsom voor schaamte, of een blijk van hoogmoed (‘ik heb een tientje gegeven!’).
Een belangrijk antropoloog kwam ooit eens tot de conclusie dat aan iedere gift ook een sociale verplichting hangt. Hij maakte daarom onderscheid tussen ongebalanceerde reciprociteit en gebalanceerde reciprociteit. Bij de eerste wordt meestal na verloop van tijd een wedergift gegeven. Bij een gebalanceerde reciprociteit gebeurt dat direct. Giften over en weer zijn de symbolische belichaming van relaties. Dat kunnen relaties tussen individuen zijn, maar ook tussen landen en uiteraard alles daartussen in. Dana staat los van relaties. Dat hoort het althans te zijn.
(wordt vervolgd)


Geef een reactie