In 1972 bracht Randy Newman een lied uit dat begint als een grap. Een man klaagt: ‘Niemand mag ons.’ En dan, ineens: ‘Laten we de grote bom maar gooien.’ Het is grotesk — en juist daarom laat het iets pijnlijk menselijks zien.
Die sprong kennen we allemaal, in het klein: van gekwetstheid naar macht. Van ‘ik word niet gezien’ naar ‘dan ga ik jou ook niet zien’. Soms is het een deur die dichtgaat. Een appje dat onbeantwoord blijft. Een blik die wegdraait. In Newmans lied is het een bom. In het dagelijks leven is het subtieler, maar niet minder echt.
Het is stresslogica. Niet alleen van naties en wereldleiders, maar ook van gewone mensen — en dus ook van ons innerlijk. Wat in het lied op wereldschaal gebeurt, gebeurt ook in miniatuur in onszelf. Daarom gebruiken wij een intern gezinsmodel met vier krachten.
Vier krachten in ons
- Het Authentieke Kind: de levende kern — gevoel, behoefte, speelsheid en verlangen naar verbinding.
- De Strateeg: plannen, organiseren, grenzen stellen — gezond zolang hij dienstbaar blijft.
- De Overlever: neemt het stuur over wanneer stress te groot of te langdurig wordt — vernauwt, controleert, bevriest, verdooft of valt aan.
- De Volwassene: het dragende deel — kan blijven voelen én kiezen; kan spanning dragen zonder te verdwijnen; kan verbinden.
Als het goed gaat, groeit die Volwassene vanzelf. Dat gebeurt wanneer een kind voldoende co-regulatie ontvangt: iemand die mee kalmeert, emoties helpt dragen en laat voelen: ‘Je mag er zijn.’ Dan blijft de Strateeg een helper van het Authentieke Kind.
Maar wanneer stress structureel wordt — te weinig rust, te weinig afgestemd contact, te veel prikkels — krijgt de Overlever vroeg macht. Newmans ik-figuur is op een pijnlijke manier zo’n Overlever die zichzelf voor Volwassene houdt. Hij is zeker van zijn gelijk. Klaar met nuance. De wereld wordt plat: wij goed, zij fout. En dan voelt ‘de grote bom’ ineens logisch.
Wanneer de kaart de baas wordt
Iain McGilchrist gebruikt het beeld van de meester en zijn gezant om te laten zien dat we de wereld op twee manieren kunnen ontmoeten. Enerzijds is er een vorm van aandacht die het geheel ervaart als levend en betekenisvol. Anderzijds is er een manier van kijken die uitblinkt in analyseren, ordenen en beheersen. We hebben ze allebei nodig. Het probleem ontstaat wanneer we gaan leven alsof de kaart belangrijker is dan het terrein.
Precies daar raakt het scherm dit verhaal. Een scherm is vaak niet het probleem; de onderbreking is het: de tik uit de ontmoeting naar het plaatje van de ontmoeting. Helder, overzichtelijk, bedienbaar — maar zonder wezenlijk contact. Het lijkt op nabijheid, maar het is het beeld van nabijheid.
De wieg: waar het trainen begint
Waar leren we eigenlijk voor het eerst zien en gezien worden? Daar begint het verhaal. Een baby zoekt geen informatie. Een baby zoekt afstemming: ogen, stem, gezicht, rust. Dat is de eerste school van regulatie: zo voelt verbinding in je lijf.
In een overvolle wereld is het begrijpelijk dat ouders soms uitwijken naar een (beeld)scherm. Even weg. Even checken. Even ademhalen. Alleen: ‘even’ wordt snel een patroon. Er bestaat zelfs een term voor: technoference — technologische tussendoorkomst, waarbij contact herhaaldelijk wordt onderbroken door meldingen, checks en scrollen. Het hoeft niet dramatisch te zijn om betekenis te hebben.
Een kind leert niet alleen: ‘mama of papa is soms afgeleid.’ Het leert iets diepers: nabijheid is niet altijd zeker. Daaruit ontstaan overlevingsroutes, in allerlei vormen. Het Authentieke Kind wordt voorzichtiger — of juist luider: ‘Zie mij dan!’ De Strateeg schuift ongemerkt richting Overlever: pleasen, presteren, verdoven, controleren.
Bij tieners zien we hetzelfde in een nieuw jasje: selfies, likes, vergelijken. Niet alleen ijdelheid, maar vaak regulatie: ‘Zeg me dat ik besta.’ Wanneer echte resonantie schaars wordt, kan representatie verslavend gaan werken.
We hoeven geen psychologische etiketten op leiders te plakken om het patroon te herkennen. Ook systemen kunnen in Overleverstand schieten: bedreiging voelen, vernauwen, escaleren. Dan wordt de ander een object. Een probleem dat opgelost moet worden. De uitnodiging is niet: kijk hoe slecht mensen zijn. Maar: kijk hoe vernauwing werkt. Hoe angst ons kleiner maakt. En hoe gemakkelijk we de ander dan uit het oog verliezen.
Newmans refrein werkt zo goed omdat het hardop zegt wat bij ons meestal stiller gebeurt: ‘Als ik me niet gezien voel, ga ik jou niet zien.’ In 1972, tijdens de Vietnamoorlog, en nu — in 2026 — in de oorlogen van deze tijd. Maar het begint niet bij regeringen of legers. Het begint bij de wieg. Aan de tafel. In dat kleine ogenblik waarop we merken dat we wegkijken of verharden — en toch kunnen terugkeren. Naar het levende. Naar het geheel. Naar elkaar.
Rob van Boven (1951) is psycholoog en geregistreerd psychotherapeut. Hij was consultant voor verschillende organisaties (drugs en verslaving counseling, vaardigheden workshops) en werkte vijftien jaar als een behandelingscoördinator in een psychiatrische instelling. Bij Rob van Boven wordt het geloof van de overlever bewust gemaakt en een juiste plaats gegeven. Het doel is om los te komen van de dwang van het geloof en bewustzijn te ontwikkelen naast deze denk- en voelpatronen. Hoe meer je van het geloof van de overlever bevrijd bent, zonder het te bestrijden, maar door het de juiste plek te geven, hoe vrijer je kan leven.
Luuk Mur ( 1952) is psycholoog en heeft een drietal boeken geschreven over de door hemzelf ontwikkelde hulpverleningsmethode communitysupport. Hij is lid van de Dzogchen Community Nederland. Dzogchen is een vorm van Tibetaans boeddhisme waarbij veel belang wordt gehecht aan de ontwikkeling van individueel bewustzijn. Bij deze traditie streeft men naar non-dualiteit van het bewustzijn. Mensen zijn zich niet alleen bewust ( je weet dat je dit leest), maar je kunt je ook bewust zijn van dit eerste bewustzijn. Dit meta-bewustzijn wordt ‘gewaarzijn’ genoemd.


BABETH M. VANLOO zegt
Dank Rob en Luuk.
Siebe zegt
Voor mij heeft “je niet gezien voelen” toch vooral te maken met geremdheid. Niet delen wat in je omgaat.
Als je geremd bent dan is dat dukkha omdat je in een soort beklemming zit. Geremdheid vind ik een merkwaardig fenomeen. Zonder dat je het wilt, werkt het verstarring in de hand. Er is een merkwaardige innerlijk krachtenspel gaande tussen enerzijds een drang tot expressie en anderzijds een soort angst tot expressie.
Waar geef je aan toe? Toen ik me meer ging uiten stond ik doodsangsten uit, paniek. Voor mij voelt expressie wel levendig. Geremdheid voelt doods en zwaar, verstard, het drukt letterlijk op je. Het is alsof je bent omsloten door een onzichtbaar net wat zich aanspant. Of elke dag door het slib moet waden.
Ik denk dat een geremd leven nooit een leuk leven kan zijn. En in hoeverre zijn geremd en getemd synoniemen?
In de Pali Canon is niet echt veel waardering voor expressie. Of dat nu via dans is, muziek, discussies, sport, kunst. Toch geloof ik dat we dit heel erg hard nodig hebben voor ons welzijn. Al is het alleen maar om niet opgesloten te raken in een wereld van geremdheid. Naar, duister, ellendig.
In discussies/debatten voelen mensen zich vaak ook levendig en krachtig. Je kunt er negatief naar kijken. Als een strijd om winst en het gelijk. Maar op een diepere manier gaat het denk ik eerder om het verbreken van verstarring door jezelf eens lekker te uiten en zo weer in contact te komen met de kracht van expressie. Zo slecht is het denk ik niet.
Eindeloos veel zelf opgelegde taken, zelf opgelegde doelen, zelf opgelegde ideeën over hoe je zou moeten doen en zijn, maken dat alles maar nooit eens vrij stroomt. Vernauwen is zo onvermijdelijk, lijkt me. Voor mijn gevoel zit er een totaal gebrek aan vertrouwen achter dat we in het moment niet spontaan het goede en juiste kunnen doen.