Antropologen bestuderen menselijke culturen en de ontwikkeling van de mens als onderdeel van een maatschappij. Deze serie artikelen in het Boeddhistisch Dagblad pretendeert niet volledig te zijn. Over vrijwel ieder thema valt ontegenzeggelijk veel meer te zeggen, en bepaalde zaken komen zelfs niet of nauwelijks aan bod. Voor wie door deze serie in antropologie geïnteresseerd raakt, is er meer dan genoeg boeiende, verdiepende literatuur te vinden.
Het is in Nederland sinds de Napoleontische tijd tot vrij recent gebruikelijk geweest dat de man zijn achternaam gaf aan het gezin waarvan hij het hoofd was. Lees deze zin nog maar eens. Uit de zin kun je afleiden dat vóór de Napoleontische tijd (dus voor begin 19de eeuw) niet iedereen automatisch de naam van hun vader (de man) kregen. Dat kon natuurlijk wel, maar het was mogelijk dat men gedurende het leven van naam veranderde. Heette Piet eerst Mulder (omdat zijn pa een molenaar was), later heette Piet ineens ‘van de Brug’, omdat hij vlakbij de enigste brug van een dorp woonde en iedereen Piet kende als die vent ‘van de Brug’. Je kunt uit die eerste zin ook afleiden dat Nederlanders het de laatste paar eeuwen normaal vonden dat de man ‘het hoofd van het gezin’ was. Inmiddels is dat al iets minder vanzelfsprekend. Sommige eenoudergezinnen zijn in dat opzicht ‘onthoofd’, zo er ooit een ‘hoofd’ is geweest. Waarom zou trouwens een vrouw niet aan het hoofd van een gezin kunnen staan? En ten derde kun je uit de zin afleiden dat men sinds kort blijkbaar ook voor een andere achternaam dan die van de man kan kiezen. Wanneer een vrouw en een man besluiten in het huwelijksbootje te stappen, hebben in Nederland tegenwoordig verschillende keuzen hoe ze in de maatschappij bekend willen staan: gaan ze samen verder onder één naam of onder beide namen. Dus: alleen de achternaam van de man (Piet en Miep ‘van de Brug’), alleen de naam van de vrouw (Piet en Miep ‘over de Sloot’), de naam van de man gevolgd door die van de vrouw (Piet en Miep ‘van de Brug over de Sloot’) of de naam van vrouw gevolgd door die van de man (Piet en Miep ‘over de Sloot van de Brug). Je geeft de keuze door aan de gemeente, Let op: Juridisch verandert er niets, de man blijft ‘van de Brug’ en de vrouw blijft ‘over de Sloot’. De volgende vraag is nu: welke achternaam krijgen de kinderen? Weer een keuze, want is de achternaam voor een eerstgeborene eenmaal gekozen, dan heten alle broertjes en zusjes die daarna geboren worden automatisch ook zo. In principe levenslang. Kiezen Piet en Miep ervoor om hun eerste kind óók ‘van de Brug over de Sloot’ te noemen, dan heten al hun volgende kinderen ook zo. Althans… zolang ze samenblijven. Hoe het gaat na een scheiding verder gaat weet ik even niet. Ik vind dat het tamelijk complex is geworden.
Is dit een Nederlands probleem? Over de hele wereld komen allerlei systemen voor. In Spanje bijvoorbeeld zijn dubbele achternamen heel gewoon, maar valt de laatste achternaam steeds weg. In Spanje zouden de kinderen van Piet en Miep allemaal ‘van de Brug – over de Sloot’ gaan heten. Maar dan…als de kinderen gaan trouwen, krijgt de naam van de man (‘van de Brug’) meer gewicht dan die van de vrouw. Na enkele generaties is de naam van de vrouw verloren gegaan. Zolang de mannelijke lijn ongebroken blijft, blijft ook de naam ‘van de Brug’ bestaan. Dit heet patrilineair = in een rechte lijn van langs mannelijke kant: pappa – zoon – kleinzoon – achterkleinzoon enzovoorts. En die liniaire voortzetting van pappa’s achternaam, zorgt ervoor dat je bij de groep ‘van de Brug’ hoort. Er komen wereldwijd drie keer zoveel patriliniaire als matriliniaire overervingen van achternamen voor. Bij een matriliniaire overerving blijft de naam van moederskant langer bestaan.
Een belangrijke keuze na het huwelijk is die van de woonplaats — daarmee begint het opbouwen van het sociale leven. In patrilineaire samenlevingen zie je vaak dat dit de woonplaats van de man is en in matrilineaire samenlevingen juist de woonplaats van de vrouw. Wanneer na het huwelijk besloten wordt om te gaan wonen bij de gemeenschap van de man, dan spreek je van patrilokaal vestigen. Vestig je je bij de gemeenschap van de vrouw, dan noem je dit matrilokaal. Je kunt je ook neolokaal vestigen, ofwel noch bij de ene, noch bij de andere familie. Je begint dan eigenlijk vanaf niks een nieuw bestaan op te bouwen, zonder banden met een gemeenschap, wijk, dorp, stad of wat ook. Het is een soort van ‘emigratie’ (ook al is dat in eigen land). Dat kan lastig zijn en zelfs op een mislukking uitlopen wanneer je niet met open armen ontvangen wordt in een vrij besloten, wellicht traditionele gemeenschap. Je blijft misschien je verdere leven een buitenstaander, herkenbaar aan jouw andere tongval, afwijkende gewoonten, ontbrekende sociale verbanden en ga zo maar door. Voorbeelden? Een Zeeuw in Friesland, een Groninger in Limburg, een ras-Amsterdammer in de Achterhoek? Het hoeft geen probleem te zijn … maar toch. Hoe snel went een dorpeling aan anonimiteit in een grote stad of een stadjer aan een klein dorp waar iedereen iedereen kent?
(Wordt vervolgd)


Geef een reactie