Toen ik 15 jaar was, en besloot om journalist te worden, wist ik zeker dat reporters een soort superieure wezens waren, die met een onverschrokken blik in de ogen onvermoeibaar schandalen aan het licht brachten, desnoods ten koste van hun leven. Soms is dat trouwens ook zo, maar meestal niet.
Toen ik na de journalistenschool een baan kreeg bij een krant, kwam ik er al snel achter dat, zeker destijds, een krantenredactie een open inrichting was, bevolkt door bijvoorbeeld gesjeesde seminaristen, deeltijd-revolutionairen en een enkele feministe (die meedogenloos “moeder overste” werd gedoopt).
Ik dacht dat ik al van alles kon, want ik had in het kader van mijn opleiding wel eens een beroemde politicus geïnterviewd. Tot ik er tijdens de eerste week op de redactie achter kwam dat het veel ingewikkelder is om een verkeersongeval in 100 woorden correct te beschrijven. Ook de jaren daarna kreeg ik ruimschoots de gelegenheid fouten te maken die me op een serieuzere redactie ontslag op staande voet hadden gekost.
Niettemin beleefde ik non-stop een soort romantische droom, want ik mocht stukjes schrijven voor een echte papieren krant (die toen nog ‘meneer’ werd genoemd). Na het werk ging ik regelmatig met collega’s naar het café, waar op hoge toon werd aangekondigd welke wethouder of burgemeester er de volgende dag het graf in geschreven ging worden. Dat bier tanken gebeurde trouwens niet zelden op kosten van de krant, want de bomen groeiden toen nog tot in de hemel, en dat lelijke internet bestond nog niet.
Het zou best kunnen dat toen de basis is gelegd voor mijn latere alcoholisme, want veel bier drinken werd door mijn collega’s stoer gevonden, en ik wilde natuurlijk niet achterblijven, ook omdat ik een oogje had op collega C. Ik dacht dat ze me een mietje zou vinden als ik minder bier zou drinken dan de rest. Dat heeft ze trouwens geweten, al moet ik daar bij aantekenen dat ik in mijn jeugdige onschuld nogal schematische opvattingen had over man-vrouwrelaties, hoe die op te starten en vooral hoe die in stand te houden. Vooral wist ik toen nog niet dat je nooit betrekkingen moet aanknopen met vrouwelijke collega’s, waar ik me later trouwens strikt aan gehouden heb.
Ook met haar kwam ik weg. Als ik me na het werk niet op een terras met C. zat aan te stellen om indruk op haar te maken (wat ongeveer 2 weken lukte), zat ik op een ander terras de staat van de wereld door te nemen met collega R. Vooral door hem leerde ik dat journalisten ook maar gewone mensen zijn, met heel alledaagse zwakheden.
R. was gehuwd met een aantrekkelijke Braziliaanse, wat hem er niet van weerhield zich te bekennen tot iedere leuke dame die hij tegenkwam, en dat waren er veel. Hij was sportjournalist, waar hij participerend uitdrukking aan gaf door alle speelsters van een handbalteam waarover hij berichtte “op te schrijven”, zoals hij dat noemde, inclusief de lesbiennes.
Misschien overdreef hij een beetje. Maar mijn excursies naar de plaatselijke horeca met deze koene reporter relativeerden wel mijn verheven beeld van journalisten, hun beroepsethiek en vooral hun seksuele moraal.
R. had de kwaliteit om op een terras met een ogenschijnlijk nors en ongeïnteresseerd gezicht de langslopende fauna te observeren. Als er een in zijn ogen geslaagder exemplaar passeerde, kon hij vanuit het niets zeggen: “Ze kan hem in de muil hebben, maar alleen als ze een beugel draagt.” Of: “Ik wil best op haar bruno kruipen, maar dan moet ze wel een zak over haar hoofd doen.” Ook placht hij soms te zeggen: “Ze heeft een paar mooie poten onder die zeikkelder.”
Hij deinsde er niet voor terug dat soort opmerkingen zo hard te maken, dat de dames in kwestie het konden horen. Enigszins tot mijn verbazing werd hem nooit het gezicht opengekrabd. Tot zijn ontlasting sprak dat hij een scheut Indisch bloed had. Ook later leerde ik dat een ongegeneerder menstype nauwelijks denkbaar is.
Na 11 jaar nam ik ontslag bij de krant om te gaan freelancen. Alles wat ik nu kan en niet kan, heb ik toen in de basis geleerd.
Ik schrijf dit ook op omdat ik me in deze rubriek wel eens een kritische opmerking veroorloof over psychiaters, psychologen en andere hulpverlenende potten zalf. Welnu, journalisten zijn geen haar beter. Eerder erger.
Toen ik later manische episodes kreeg, heb ik wel eens weerstand moeten bieden aan de aanvechting om een telefoontje te plegen met de Braziliaanse echtgenote van collega R. Eerlijk gezegd vond ik haar best leuk. Eerlijk gezegd had ik haar willen vragen of zij hem ook in de muil kan hebben.
Ik ben blij dat ik het nooit gedaan heb.
Peter Pijls zegt
De jaren 80 kunnen nu als aanstootgevend worden ervaren.