Midden in een mooie droom, die ik mij niet meer herinneren kan, gebeurde het.
Een geluid alsof twee baby’s met overontwikkelde stembanden op hoge toon een verschil van mening hadden over de vraag wiens moeder nou écht de allerliefste van de hele wereld was. Ik probeerde met alle macht de droom vast te houden en weer terug in de genade van de zoete slaap te glijden, precies op het moment dat het conflict in crescendo een lang aangehouden toonhoogte bereikte. Mislukt. Weer een nacht slecht slapen. De vloek van het ouder worden. Boeddha heeft daar toch echt het nodige over gezegd, maar je hoopt toch dat déze vorm van lijden jouw deur voorbij zal gaan.
In de straat waar ik woon zijn ruw geschat driehonderd ramen waaronder een krijsend dispuut gevoerd had kunnen worden, maar de katten – want dat waren het – hadden die nacht het mijne uitgekozen. Ik meende het niet zo lieflijke stemgeluid van mijn voormalige kater te herkennen – hij heet Midas – en begreep dat verder slapen er voorlopig niet meer inzat. Mijn Midas beschikt helaas niet over het ietwat omfloerste stemgeluid van die bekende bioloog met dezelfde naam. Om zijn argumenten kracht bij te zetten gaf hij nog eens flink verbaal gas. Helaas was zijn opponent ook nog lang niet door zijn tegenargumenten heen. Dus de stille, Drentse zomernacht in het kleine dorpje waar ik woon werd aan stukken gescheurd door de decibels die de beestjes produceerden. Als een braaf dzogchenbeoefenaar probeerde ik mijn ernstig verstoorde staat van zijn zichzelf te laten bevrijden en niet al mijn gedachten te volgen die stormenderhand opkwamen. Te vergeefs. Ik had er gewoon zwaar de pest in.
Daarnaast was er ook bezorgdheid, want Midas is slechts een driekwart-kat. Ten gevolge van een onfortuinlijke ontmoeting met een auto beschikt hij nog maar over drie poten. Hij ligt dus altijd één poot op elke tegenstander achter. Ik stapte moeizaam uit bed, schoot inderhaast wat kleren aan en begaf me naar buiten. Ontspan in de wetenschap dat alle verschijnselen in zichzelf perfect zijn, probeerde ik te bedenken, maar omdat de twee dieren met opgeteld zeven pootjes er nog een schepje bovenop deden was de beginnende gedachte al verdampt, nog vóór hij goed en wel gevormd was. Het was ook niet het ideale moment om eens wat te contempleren over gelijkmoedigheid. Het Juiste Spreken mislukte me ook al, toen ik even later met hete vloeken tussen de tanden bij mijn auto neerknielde, waaronder mijn kater inmiddels toevlucht gezocht had. ‘Miiiidaaas…’ probeerde ik zo verleidelijk mogelijk, maar het onbereikbare ondier staarde mij roerloos, maar met een demonische blik aan. De andere schreeuwlelijk had het poezenpad gekozen – wat mij betreft naar minimaal drie dorpen verderop. Ik haalde mijn hele arsenaal trucs tevoorschijn. Ik zette deuren open, rammelde met blikken en deed kletterend brokjes in de voerbak en maakte de verlokkendste geluiden, zonder enig resultaat. Inmiddels was het slaperige hoofd van de overbuurvrouw tussen de gordijnen verschenen. Zij reageerde tenminste wèl op mijn verlokkende geluiden. Ze bracht de wijsvinger naar haar lippen in een gebaar van stilzwijgen. Ik krabbelde overeind en liep, met een humeur dat zwaar in de rode cijfers zat naar de voordeur.
De adrenaline spoot, voelde ik, in wolkjes mijn oren uit. ‘Krijg toch de (censuur)!’ siste ik woedend naar mijn meestal zo beminde driepoot. Omdat hij nou eenmaal een kat is, besloot hij uiteraard dat dit het moment was om achter mij aan naar binnen te hobbelen. Ik greep hem en onderdrukte mijn neiging om het monster spontaan te euthanaseren. Mijn slaap kon ik voorlopig wel vergeten.
Mijn dzogchenleraar zegt altijd dat we het leven en de gebeurtenissen daarin niet al te serieus moeten nemen. Hij zegt heel vaak: ‘Lord Buddha said: Life is like an unrealistic dream. Like the moon shining in a puddle of water.’
Bevrijding is lijden.


Geef een reactie