Tijdens de Nederlandse Revolutie kwam het verbond van God, Oranje en Vaderland onder vuur. De Nederlandse geschiedschrijving heeft de furieuze reacties en emoties van die jaren altijd gebagatelliseerd. ‘We wisten ons er geen raad mee’, schrijft historicus Joost Rosendaal in zijn boek De Nederlandse Revolutie. Vrijheid, volk en vaderland 1783-1799. Deze korte bespreking geeft een indruk van het ontstaan van onze democratische rechtsstaat.
Rosendaal definieert een revolutie als een periode waarin de samenleving vooral op politiek gebied op een drastische wijze wordt veranderd, of waarin daartoe pogingen worden ondernomen. ‘Hieraan zijn in mijn optiek veel geweld en bloed niet altijd inherent’, bladzijde 15. Het proces van revoluties bestaat volgens hem uit polarisatie, onder andere door demonisering, gevolgd door de strijd waarin het kwaad bestreden moet worden. Als dit slaagt, volgt de bevestiging ervan door feesten van de nieuwe orde.
Teloorgang van de Republiek
De Republiek der Verenigde Nederlanden (1588-1795) was een bondgenootschap met zeven soevereine gewesten, die samenwerkten op het gebied van defensie en buitenlandse politiek. Het gemeenschappelijke overlegorgaan was de Staten-Generaal in Den Haag. De gewesten waren: Friesland, Overijssel, Gelre, Utrecht, Holland, Zeeland, Drenthe en de generaliteitslanden. Staats-Brabant (grofweg: Noord-Brabant) en Staats-Vlaanderen (grofweg: Zeeuws-Vlaanderen) behoorden onder andere tot deze landen. Dankzij zijn inwoneraantal en economische overmacht had Holland een dominante rol.
De stadhouder was de belangrijkste dienaar van de Republiek. Oorspronkelijk had ieder gewest een stadhouder, maar steeds vaker gaven de gewesten hun voorkeur aan de Prins van Oranje. Hij was niet alleen legeraanvoerder, maar had ook grote invloed op de samenstelling van stadsbesturen. Tussen de prins en de gewesten bestond constant spanning. ‘Verschillende gewesten gaven er dan ook de voorkeur aan zonder stadhouder te regeren zodra dit mogelijk was.’
De gewestelijke staten, die verschilden in samenstelling, bestonden uit vertegenwoordigers van de voornaamste steden en de adel. Grote groepen waren echter uitgesloten van de macht, zoals: katholieken, joden, plattelanders en Brabanders.
Economische achteruitgang, de vriendjespolitiek van de adel en de verloren Vierde Engelse Oorlog deden de interne spanningen toenemen. In 1747-1748 braken er in Holland rellen uit tegen de bestuurlijke kaste. Rond 1780 verenigde dit verzet tegen de aantasting van de oude rechten en vrijheden van de Unie van Utrecht (1579) zich met nieuwe Verlichtingsideeën over burgerschap, aldus Joost Rosendaal. ‘Het betekende het begin van de revolutionaire beweging van de patriotten’, bladzijde 14.
Pamflet
Het anonieme schotschrift Aan het Volk van Nederland dat honderden mensen – regenten, vooraanstaande lieden en boekhandelaren – in de nacht van 25 op 26 september 1781 in tientallen steden en dorpen ontvingen, sloeg in als een bom bij de autoriteiten. Het pamflet stelde de wantoestanden in de Republiek aan de kaak, waarvoor Stadhouder Willem V verantwoordelijk werd gehouden. Zijn grote formele en informele macht was de oorzaak hiervan. Het pamflet bood een krachtig alternatief: een volksregering bij representatie. De oproep was niet vrijblijvend: ‘Wapent u lieden allen (…) even als het volk van Amerika.’ Dit was een onvervalste oproep tot revolutie.
Om inspraak in het bestuur veilig te stellen moesten burgers zichzelf ook kunnen verdedigen. Het Nederlandse leger bestond immers uit beroepsmilitairen waarvan velen van buitenlandse afkomst waren (Walen, Zwitsers, Duitsers en Schotten). De meeste officieren dankten bovendien hun positie aan de stadhouder. De autoriteiten traden met verbodsbepalingen op tegen het pamflet. Het werd echter nog populairder en was illegaal overal verkrijgbaar.
Veel steden hernieuwden hun schutterijen en richtten vrijkorpsen en exercitiegenootschappen op. In honderden dorpen en steden werden patriottische genootschappen opgericht, waaruit een partijkader ontstond. Om de macht van deze paramilitaire organisaties te benutten was er al in 1784 een ‘nationale’ vergadering van burgercorpsen. De spanning tussen de Staten van Holland en de Prins van Oranje nam verder toe. Oproerige plattelandsbewegingen gingen vaak gepaard met het hijsen van een Oranjevlag op de kerktoren en het dragen van oranjeleuzen en -versierselen.
Goejanverwellesluis
De prins raakte zijn controle kwijt over Holland, Utrecht en Overijssel en besloot met zijn familie naar Nijmegen te vertrekken. De achtergebleven aanvoerder van de Oranjepartij in Den Haag regisseerde als geen ander de contrarevolutie, waarbij in Middelburg en Veere orangisten tientallen huizen plunderden.
Op 28 juni 1787 hield het Goudse patriottische vrijkorps Wilhelmina van Pruisen aan, de vrouw van stadhouder Willem V. Zij wilde de Staten van Holland in Den Haag bewegen om de orde te herstellen en de stadhouder weer aan de macht te brengen. Het voorval is historisch bekend als de aanhouding bij Goejanverwellesluis. Na twee dagen keerde ze terug naar Nijmegen.
De koning van Pruisen schoot zijn zuster Wilhelmina te hulp door middel van een invasie van een groot Pruisisch leger. Dit herstelde de rust in de rebelse steden, door de orangisten de ‘Gelukkige Omwenteling’ genoemd. Joost Rosendaal beschrijft tot in detail de hierop volgende Oranjeterreur. De omwenteling bleek echter een Pyrrusoverwinning. De Prins van Oranje joeg veel burgers tegen zich in het harnas. Ondergronds leefde de revolutionaire beweging voort, gevoed door patriotten in ballingschap.
Bevrijding
De meesten van de tienduizenden patriotten vluchtten naar de Zuidelijke Nederlanden en Frankrijk. Al vanaf het begin werkten ze aan revolutieplannen. Op 1 februari 1793 ontvingen George III van Engeland en stadhouder Willem V een Franse oorlogsverklaring, die aan hen persoonlijk gericht was.
De derde fase van de Nederlandse revolutie begon in de winter van 1794-1795. In oktober 1794 werd het oosten van Staats-Brabant bevrijd, waarna de rest van dit gebied volgde. De rivieren vroren dicht en anders dan in 1793 kon het Franse leger vrij gemakkelijk de oversteek maken.
De revolutie liep in de rest van de Republiek zonder directe Franse inmenging. Drie dagen voordat het Bataafs-Franse leger Amsterdam binnentrok, nam een Comité Revolutionair er de macht over en stond model voor comités overal elders. De patriottische sociëteiten, die waren voortgekomen uit geheime leesgezelschappen kozen de leden van deze comités. Op 18 januari vluchtte de stadhouder en familie naar Engeland. Een vrijheidsboom werd de volgende dag op de Amsterdamse Dam geplaatst en vrijwel alle dorpen en steden volgden.
Volksvertegenwoordiging
De Rotterdammer Pieter Paulus riep op 1 maart 1796 de eerste volksvertegenwoordiging uit in wat nu de oude tweede kamer heet. ‘Ik verklaar, in den naam van het Volk van Nederland, ’t welk wij hier vertegenwoordigen, deez Vergadering te zijn het representeerend Lichaam van het Volk van Nederland.’ Gejuich en applaus barstte los na een korte stilte. De vertegenwoordigingsgraad van deze Nationale Vergadering was groot en benoemde een commissie van 21 representanten om een conceptgrondwet op te stellen.
‘Spoedig kwamen opnieuw de tegenstellingen tussen voorstanders van een federale bestuursstructuur en die van een eenheidsstaat aan het licht. Het federale model riep sterke associaties op met het aristocratische systeem’, aldus de auteur op bladzijde 101. De unitaristische minderheid verzette zich hevig en tachtig procent van de stemmers van het referendum wezen het voorgelegde federale grondwetsvoorstel af.
Een vijftigtal volksvertegenwoordigers besloot de macht naar zich toe te trekken. De staatsgreep van 22 februari 1798 was een feit. De radicale staatsgreepplegers hadden een aantal uitgangspunten. De Bataafse Republiek moest een eenheidsstaat worden van een door het volk gekozen vertegenwoordigers. De nieuwe grondwet moest de rechten van de bevolking vastleggen, gebaseerd op vrijheid, gelijkheid, veiligheid en bezit. Feodale rechten en lokale privileges werden afgeschaft en kerk en staat gescheiden. De uitvoerende macht kwam in handen van een vijfhoofdig Uitvoerend Bewind. De gezuiverde volksvertegenwoordiging nam op 17 maart 1798 het ontwerp aan en een maand later de bevolking met 153.913 stemmen voor en 11.597 tegen.
Een groep militairen overrompelde echter de leden van het vijfkoppige Bewind. Vervolgens schroefden de nieuwe coupplegers de eerdere revolutie terug die al in een deel van het land was ingevoerd. De gematigde kiezers die waren beroofd van hun stemrecht, kregen eerherstel. De radicalen waren nog wel aanwezig, maar in minderheid. De gematigde revolutionairen wilden de nieuwe staatsregeling van 1798 niet verkwanselen, maar ook geen radicale uitleg of invulling ervan.
De Bataafse revolutionairen schiepen een beeld van goed en fout in de vaderlandse geschiedenis met grote invloed op het saamhorigheidsgevoel. ‘De stadhouder en de Engelsen golden als vijanden en hun tegenstanders en slachtoffers – Johan van Oldenbarnevelt, Hugo de Groot en de gebroeders De Witt – als helden en martelaren’, bladzijde 109.
Invasie
Verwacht, maar toch verrassend landde op 27 augustus 1799 een Engels-Russisch invasieleger op de kust van Noord-Holland en was in het begin aan de winnende hand. Door muiterij gaf de Bataafse vloot zich over aan de Engelsen, werd in beslag genomen en niet teruggegeven. De beslissende slag vond bij Castricum plaats waardoor het invasieleger moest terugtrekken en een capitulatie accepteerde. De orangistische opstand in het oosten mislukte.
De Bataafse Republiek was weliswaar gered en omarmde een politiek van nationale verzoening, maar in de ogen van de Fransen was de Bataafse zusterrepubliek zwak. Zij gingen zich nadrukkelijker bemoeien met de Nederlandse binnenlandse aangelegenheden en trokken de controle erover naar zich toe. Op 9 november 1799 greep Napoleon de macht. De Prins van Oranje gaf zijn aanhangers toestemming de nieuwe constitutie te accepteren en politieke ambten te aanvaarden.
De Nederlands Revolutie was ten einde. Door de politiek van Napoleon zou Nederland uiteindelijk zijn onafhankelijkheid verliezen. Na zijn nederlaag in 1813 droegen vertegenwoordigers van de oude Oranje-elite de soevereiniteit op aan het Huis van Oranje. ‘Ondanks de ‘restauratie’ bleven de principes van de constitutie van 1798 levend. Ze vormen de basis van het moderne Nederland.’
Opbrengst van de Revolutie
De scheiding van het publieke en het private domein, was een van de belangrijkste beginselen van de Nederlandse Revolutie. Het individu kreeg zijn eigen plaats, los van de groep waartoe hij behoorde. De democratisering van het bestuur betekende dat ambten en functies niet langer persoonlijk eigendom zijn. Het bestuur moest controleerbaar worden. Vergaderingen vonden voortaan plaats in neutrale, publieke ruimtes, niet meer in achterkamertjes van een herberg. Een goede controleerbare administratie moest bovendien de openbaarheid en het democratisch bestuursgehalte bevorderen. Regelgeving kwam op papier om corruptie en wantoestanden te voorkomen. Ook mocht het niet zo zijn dat voor dorpelingen andere rechten golden dan voor een stedeling. Uniformering en centralisatie moest hiervoor zorgen. De scheiding van beide domeinen werd in alle sectoren doorgevoerd, waardoor religie voortaan een persoonlijk goed werd.
De rechten en plichten van de mens vormden het kader waarbinnen de mens zich kon ontwikkelen, aldus de auteur. Een gevolg van de gelijkheidsgedachte was dat voorheen uitgesloten groepen zich konden emanciperen. ‘In zekere zin schiep dit de voorwaarde voor verzuiling’, bladzijde 215. De Nederlandse Revolutie wortelde in de Nederlandse Verlichting, gekenmerkt door een sterke christelijke inspiratie. De Republiek vond radicale bestuurlijke en sociale hervormingen niet strijdig met het geloof zoals in het katholieke Frankrijk. Al in de patriotse fase van de revolutie waren veel katholieken patriot.
Misschien was democratie wel de belangrijkste verworvenheid. Het volk moest controle kunnen uitoefenen over het bestuur en inspraak hebben in het bestuur. Het bestuur was dus geen semi-private aangelegenheid meer, maar een vertegenwoordigende functie. Om controle uit te kunnen oefenen en willekeur uit te schakelen waren uniforme regels nodig.
Afstand
De bevolking bepaalt het bestuur als het ideaal van de patriotten lijkt ver weg volgens Rosendaal. Uniformering en centralisatie schiepen afstand. ‘Slechts een beperkt aantal ambtenaren zal tegenwoordig bij zijn werkzaamheden beseffen dat het in dienst van de gemeenschap, het volk opereert’, bladzijde 236. Ook het volk heeft schuld aan de uitholling van de democratie stelt hij. ‘De overheid doet maar!’ ‘Den Haag kan nog meer vertellen.’ Hiervoor zijn diverse verklaringen te geven. Al sinds jaar en dag klinkt uit Den Haag de ambitie ‘de politiek dichter bij de mensen te brengen’. Dat zal volgens hem een hele uitdaging zijn.
‘Als de burger niet meer vertegenwoordigd meent te zijn in overheid en parlement, dan is de democratie zoals die in de Nederlandse Revolutie werd uitgevonden een dode letter’, concludeert aldus Rosendaal op bladzijde 236 van zijn boek De Nederlands Revolutie.
Opmerkingen
In hoofdstuk vier Polarisatie en politisering wijst Joost Rosendaal erop dat bij patriotten, orangisten en Bataven de kern van het revolutionair proces begint met polarisatie en partijvorming. Om het kwaad van de vijand te benadrukken zijn er verschillende middelen waarvan demonisering er een is. Op bladzijde 246 van de epiloog schrijft de auteur vervolgens dat het mechanisme van het vijandbeeld zelden leidt tot een revolutie. Daarvoor is namelijk draagvlak nodig.
Stadhouder Willem V overleed in ballingschap. In 1958 werd zijn gebalsemde stoffelijke overschot bijgezet in de Oranje grafkelder in de Delftse Nieuwe Kerk. Zijn achterachterkleinkind prinses Wilhelmina weigerde aanwezig te zijn. Naar verluidt zou de voormalige koningin hebben gezegd niet achter de baar van “een sufferd” te willen lopen.


Geef een reactie