Tekst Harada Tangen Roshi, Bukkoku-Ji december 1987.

Een monnik vroeg JOSHU eens: ‘Wat betekent ‘De patriarchen komen uit het Westen’?’
Joshu antwoordde:  ‘De eikenboom in de voortuin.’

Mumon’s commentaar: Als je de essentie van Joshu’s antwoord ziet, dan is er voor jou geen Sakyamuni in het verleden, noch Maitreya in de toekomst.

Mumon’s gedicht

Woorden vervoeren geen werkelijkheden
Brieven belichamen de geest niet
Diegene die aan woorden hecht is verloren
Diegene die in brieven verblijft,
blijft onwetend.

Je hebt al je energie met je hele hart en ziel in werken gestopt, werken aan het een zijn met dit ene tantei? (De letterlijke vertaling van ‘tantei’ is ‘doen’ vaak gebruikte Tangen roshi de term Ichi Tantei (één doen). Maar het betekent veel meer dan dat, Tantei staat in directe verbinding met hara (tanden) met eenheid, met zijn die je bent, leven op zich, maar vooral met trainen).

Was je in staat om te sterven? Heb je al gezien dat het nooit mogelijk is geweest om het niet te zien? Er bestaat geen andere kant om naar te kijken. Waarom draag je deze zware last dan nog? Je klampt je vast aan je zware last. Je vraagt je af: ‘Wat moet ik doen om deze overtolli­ge bagage kwijt te raken?’ Wanneer ik je deze last met je mee zie torsen, dan zou ik hem van je willen overnemen, je er van bevrijden. De enige reden dat de 84000 dharma-poorten en alle boeddhaleringen bestaan, is dat elke zin en elk woord deze last van je over willen nemen.
Je legt je gewicht in de schaal, je tracht je te identificeren met alles waaraan je je maar aan vast kan houden. Als je realiseert dat dit niet nodig is, dat het onmogelijk is je ergens aan vast te houden, omdat jij alles al bent, compleet en perfect.
Als je realiseer dat dit alles jou is. Dan is de sneeuw die naar beneden valt licht. Deze Rohatsu viel er weer geen sneeuw. Of toch?

Sneeuw viel en viel, en hoopte zich op. Viel de sneeuw van waanbeelden en onderscheid als een zware deken om je heen, zit je volle­dig ingesneeuwd? Puur wit. Wit, zo ver als het oog kan zien. En geen vlok van onderscheid makende activiteit. Nergens is onderscheid.

De sneeuw is gevallen, nietwaar?
Geen sneeuwvlok valt op de plek van een andere sneeuwvlok, ja toch?.
Deze prachtige sneeuwscène.
Het is koud, vind je niet?

‘Mijn benen doen pijn, ik hoorde ‘hier’ en ‘daar’ en ik begrijp het niet.’
De sneeuwvlokken blijven vallen.
‘Hé, waar heb je het over? Het praatje van vandaag heeft niets te doen met sneeuw, het sneeuwt niet eens!’

De eikenboom in de voortuin.
In de voortuin staat een fiere eikenboom, diepgeworteld. Er bestaat een oude legende over een monnik op pel­grimstocht door het bos. Hij is al enige tijd onderweg en kan geen herberg vinden.
Uiteindelijk ziet hij in de verte een licht en hij is erg blij want dat betekent een plek om te overnachten.

Hij bereikt eindelijk het licht en het blijkt een berghut te zijn. Hij wil uit het donker en zichzelf warmen, dus hij vraagt toestemming om de nacht daar te blijven. Er bevindt zich slechts een vreemd uitziend per­soon in de hut, die hem zegt binnen te komen.

Deze man is een duivels slecht wezen, die de gewoonte heeft verdwaalde reizigers hulp te bieden, om hen vervolgens te vermoorden en hun bezittingen te roven.
‘Ha,’ denkt de man, ‘hier is een makkelijk slachtoffer!’ Het verhaal gaat verder dat het een donkere nacht was en in het holst van de nacht slijpt de man zijn slagersmes. In die tussentijd is de vermoeide reiziger in slaap gevallen. ‘Dit wordt een makkie,’ denkt de man. ‘Het zal niet veel werk zijn.’ De man van de hut loopt door de donkere gang, terwijl hij zijn glimmend mes bij zich draagt. Hij nadert de kamer waar de monnik slaapt en glipt de kamer in. Daar, precies in het midden van de kamer staat een enorme boom, fier en diepgeworteld. De man met het mes kon niet meer bewegen, alle krachten worden uit hem weggezogen. Na een tijdje komt hij weer bij zinnen en ontvlucht de kamer. Nu weet hij dat deze monnik geen ge­woon mens is. De volgende morgen vraagt hij de monnik toestemming zijn leerling te worden, opdat hij ook deze soort van kracht kan leren bezitten.

De monnik in dit verhaal is één geworden met Joshu’s eikenboom in de tuin. Het lijkt alsof dit oude griezelver­haal is ontstaan, uit wat er vandaag gebeurt.

Een monnik stelde een vraag aan JOSHU. Je moet uit alle macht vragen, je moet het punt bereiken waar niets ander is dan alleen deze vraag: Wat is de betekenis van ‘de patriar­chen komen uit het Westen’?

De grondlegger van de zen is Bodhidharma, hij oefende jarenlang bij Hannyatara sunya, jaren van trainen. Toen werd hem opgedragen om de dharma naar het Oosten te brengen, daar trainde hij nog 9 jaar in eenzaamheid. Dankzij het feit dat hij de dharma naar het Oosten bracht zijn wij in staat deze shu (periode) van zazen te zitten.

Wat is de betekenis van de Patriarchen (grondleggers) komen uit het Westen’? Welke waarheid is hij komen brengen, wat onthult hij? Dat is de cruciale vraag. Het is de enige vraag die je hebt. Je stelt je deze vraag telkens weer opnieuw. Deze vraag is een vraag rechtstreeks naar je hart.

Als je nog steeds met jezelf pronkt, als je dit nog steeds wilt, als dat wenst, afgescheiden van alles en iedereen, dan word je nog steeds niet tot deze cruciale vraag gedreven. De zenbeoefenaar, jij dus, zal jezelf eens op dit uiterste punt moeten ontmoeten. Net zoals een samurai die op het punt komt waar hij alle hoop moet loslaten, zonder dit te betreuren.
Niemand anders kan dit voor je doen. Je laat al je hoop varen, je laat alles gaan en houdt niets achter. Van deze plek verrijst de vraag, wat kwam Bodhidharma ons brengen?
Joshu antwoordde ‘de eikenboom in de voortuin’. Daar in de tuin was een gigantische eikenboom uit de grond gerezen, stevig geworteld. ‘De eikenboom in de voortuin’. Als je Joshu tot meer dwingt, zal hij dichtslaan als een kruidje-roer-me-niet.

De eikenboom in de voortuin.

Als je de kern van JOSHU’s antwoord ziet, wat antwoord­de hij dan?

De eikenboom in de voortuin.
Er schiet me iets te binnen. Iets wat jaren geleden gebeur­de. Er was een man die meneer Crane heette. Hij kwam vanuit Australië naar Japan. Hij had astma en moest voorzich­tig zijn met zijn gezondheid. Hij had hier een vriend die dokter was. Deze vriend was bekend met mr. Cranes’ toestand.

De dokter was een oprechte zenbeoefenaar. Me­neer Crane wilde zelf zazen beoefenen, maar ook anderen van dienst zijn die zazen praktiseerden. Meneer Crane werd de leerling van Roshi Kapleau die momenteel in Rochester woont. Roshi Kapleau is 75 jaar. ‘Als je iets uit Japan nodig hebt, laat het me dan weten’, zei mr. Crane tegen Roshi Kapleau. Mr. Crane nam kamers in een groot hotel in Kyoto en hij liet andere mensen daar ook verblijven. Hij kwam op een keer naar me toe na een sesshin, toen ik nog in Hosshin-ji was, vlak voor dat ik deze tempel over­nam. Mr. Crane zei dat hij me wilde zien, en hij vroeg me naar Kyoto te komen.
Ik wist nog niet waar dit allemaal over ging, maar ik ging, op mijn waradji (stroo sandalen, bedeldracht). Ik had een vriend die zen beoefende in Nansen-Ji, vlakbij Kyoto. Toen ik een taxi nam in Kyoto naar het hotel zag ik deze vriend, we stopten en namen hem mee en gingen verder naar het hotel. Toen we aankwamen kre­gen we een ijzige blik van de bellboys in de lobby. Ze dachten waarschijnlijk dat we kwamen bedelen, want ze negeerden ons compleet. Maar ik legde hen uit dat we gasten waren van mr. Crane en mrs. Beverly. Ze werden geroepen en kwamen samen naar beneden. Ze groette ons vriendelijk, zodat de hotelkeepers in verlegenheid gebracht werden. We deden onze sandalen uit en slippers aan, en kregen toestemming naar boven te gaan. En daar was mr. Crane, een grote Amerikaanse man die fortuin gemaakt had in Australië. Er was een tolk die vertaalde. Ik ging voor hem zitten en hij begon met me te praten via de tolk. Hij zei: ‘Vanaf dat ik in Japan ben heb ik vele Ros­hi’s ontmoet en ik stel hen altijd dezelfde vraag. Toen ik een kind was klom ik in die boom’. Hij wees naar de boom die voor het raam stond. ‘En ik werd één met die boom. Maar nu ik ouder ben geworden, lukt het mij niet meer oom één zijn met de boom, hoezeer ik ook zou willen. Ik wil compleet ontwaken tot het zelf dat één wordt met de boom.

Als ik de boom werkelijk zie, word ik de boom. Wat zal ik doen?’ Er waren verscheidene mensen in de ruimte die zazen beoefenden. Maar mr. Crane keek naar mij en stelde me de vraag. Een vraag over een boom worden. Ik weet niet hoeveel minuten voorbijgingen, 5 of 10 of 20. Ik keek in mr. Crane’s groene ogen en ik werd mr. Crane. Natuurlijk was ik toen niet bewust van het idee dat ik mr. Crane werd, slechts één.

Kijkende in die groene ogen die leden, die al zolang verlangden, die zo vervreemd en behoeftig waren. Ik sprong in die ogen en werd erin omhelsd, dat is waarschijnlijk de beste manier om te vertellen wat er gebeurde. En plotseling veranderden de groene ogen en vulden zich met tranen. Ja… ja.
Als je het zelf loslaat, als je oprecht wenst, met heel je hart, zal het gebeuren. Als je werkelijk wil, gebeurt het. Geen twijfel mogelijk. Ik vertelde hem dit en toen hij de vertaling hoorde, stroomde er tranen uit zijn ogen. Hij keek naar me en knikte diep. Er was verder niets meer te zeggen. We hadden thee, en er was misschien een con­versatie maar die kan ik me niet meer herinneren.

De dok­ter bracht ons naar de lift. Ik wist dat de dokter de erva­ring kende van lichaam en geest loslaten, want hij sprong bijna van vreugde voor zijn vriend, en hij zei tegen me: ‘Er is alleen maar geven, is het niet, slechts geven’. De dokter was zo blij voor mr. Crane. In de lobby maakte mrs. Beverly een ceremoniële buiging voor me met haar hoofd op de grond. Het was geen dokusan, en ik was slechts een monnik in een klooster.

Mr. Crane moet ongeveer tussen de 50 of 60 geweest zijn, hij was zo bevlogen en van sterke wil, een perfecte vertegenwoordiger van Amerika.

Ik wil de boom zijn, de eikenboom in de tuin. Je kan oprecht, met je eigen ogen kijken in de essentie van Jos­hu’s antwoord. Intiem, oprecht, met je eigen ogen, kijken in Joshu’s antwoord. Het is niet een label vastplakken op dat wat op komt, het is veel intiemer en persoonlijker dan dat. Als er een nog een spoortje van het zelf is, is het niet mogelijk een ander te worden, onmogelijk om eenheid te zijn, om één te zijn met een ander en voor anderen te werken. Ongeacht hoe graag je ook mensen wil helpen, hoe veel moei­te je doet om andere te helpen, als je nog steeds aan je­zelf vasthoudt, kun je niet werkelijk helpen. We praten over het vergeten van zelf. Vergeet het zelf, het zelf verd­wijnt, het zelf-idee lost op. Als je krachtig kan kijken in de essentie van Joshu’s antwoord,dan is er voor jou geen Sakyamuni in het verleden en geen Maitreya in de toe­komst.

In hemel en op aarde, ben ik de enige alom geëerde.

Natuurlijk, als je al deze kennis vasthoudt en mee blijft dra­gen dan draag je niets anders dan vaal schuim met je mee.

Mumon’s gedicht:
Woorden vervoeren geen werkelijkheden, laat niet de geest belichamen.

Het is niet zo iets als: je ziet iemand en ervaart die als los van jou en je probeert om daar één mee te worden Deze persoon heeft een zus en zo gesteldheid en ik kan hem het beste zo benaderen. Nee. We praten niet over iets wat uitgedacht is. Zelf-vergeten, gewoon een perfecte eenheid samen. Het oorspronkelijke komt vanzelf naar voren en toont zich helder.

Ik begon te denken dat ik seniel werd. Ik moest in één nacht oud geworden zijn. ‘Zou het al geen tijd voor het avondeten zijn?’, dacht ik deze morgen na dokusan. Het was echter zeker nog geen tijd. Wie sloeg de bel voor Yakuseki ? (diner) Dit was zonder twijfel de bel voor yakuseki, de tenzo vergiste zich hij sloeg het ritme voor het ontbijt. Dus ik riep en er waren mensen, maar niemand scheen mijn roepen te horen. ‘Hee, is er nog een levend iemand hier?’ ‘Er is niemand hier’, was het ant­woord dat ik kreeg.
Wie loopt er op zijn tenen? Je moet altijd op je tenen lo­pen. Wie sloeg de bel? Toen ik het duidelijk vroeg werd er gezegd: ‘oh, dat?’ Je moet op je tenen lopen, altijd, hier, nu, eenduidig, en dan…spring.
Maar het was een goed geluid, het signaal voor het avondeten, voor het ontbijt. Iedereen luidt de bel compleet verschillend.

Woorden bevatten geen werkelijkheden, brieven belicha­men niet de geest. Alles ligt perfect open en bloot.
Wat doen we met onze hoofden: denken, denken, denk­en. En we plakken onze labels en stickers. Het heeft geen zin om te grijpen, graaien en vast te houden. Diegene die aan woorden vasthoudt is verloren.
Wat betekent dat, hechten en grijpen. ‘Wat is het wer­kelijk, hechten grijpen? Hij praat vast over dit! Wat precies zegt hij over wat ik doe met hechten en grijpen?’ Als je zo begint te denken, lijkt de waarheid zo ver weg, in het duister gehuld. Net als diegene die in de geschriften blijft hangen, onwetend blijft. Stop de analyse, slechts één doen. Dat is alles. Leegheid is goed. Kap het af, gooi weg, laat gaan. En gooi het weggooien weg. Ik zal berispt worden, omdat ik te veel praat. De eikenboom in de voortuin.

Samen met alle wezens verwerven we het boeddhaschap.

Transcriptie Zeshin van der Plas.

 

 

Categorieën: Zeshin van der Plas, Achtergronden, Teisho, Boeddhisme
Tags: , , ,

Ochtend- of avondeditie

We hebben een gratis mailinglijst.
Abonneer je op onze ochtend- of avondeditie

Reageren is niet meer mogelijk

Menu